Boom/Struik van de week: Cotoneaster

Dwergmispel

Dwergmispel (Cotoneaster) is een geslacht uit de rozenfamilie. Het zijn besdragende struiken en kleine bomen, die zowel groenblijvend als bladverliezend kunnen zijn. De groeivorm varieert van kleine laagblijvende struikjes tot kleine bomen van enkele meters hoog.

Dwergmispels stammen uit het gebied van Noordoost-India tot Zuid-China. Enkele komen uit Midden en Zuid-Europa, slechts drie groeien er noordelijker; in Noord-Azië en Europa. Er bestaan een 70-100 soorten met vele vormen. In Nederland is alleen de wilde dwergmispel (Cotoneaster integerrimus) inheems en komt zeer zeldzaam voor in Limburg en de Veluwezoom.

Dwergmispels worden veel aangeplant in plantsoenen en groenstroken omdat vooral de laagblijvende soorten goede bodembedekkers zijn en weinig onderhoud vragen. Voor de stedelijke biodiversiteit is het ook geen verkeerde soort. Allerlei insecten komen op de bloemen af, zoals zweefvliegen, wilde bijen en vlinders.

De bessen worden door vogels gegeten en zorgen ervoor dat de struiken op diverse onverwachte plaatsen opduiken. Bijvoorbeeld in het Markdal, op muren, in boomspiegels, brandgangen, de duinen.

Vanuit België zijn er rapportages dat de vegetatie in kalkgraslanden door die verwildering terugliep en vergelijkbare effecten zijn bekend uit de duinen. In Midden-Europa zijn minstens tien exotische dwergmispelsoorten aan het verwilderen en lokaal invasief in natuurgebieden.

Er is dus de waarschuwingsvlag gehesen in Nederland en er is een Zoekkaart Cotoneaster gemaakt door Floron.

Als je ‘Zoekkaart Cotoneaster’ typt op Google krijg je de kaart te zien. Er worden 18 soorten beschreven. Met collega Erik van der Hoeven ben ik in 2020 begonnen de dwergmispels in Breda te inventariseren met behulp van deze zoekkaart. Dat valt nog niet mee. Voor determinatie zijn veelal kenmerken nodig uit verschillende jaargetijden. De kenmerken van de bloemen en de bloeiwijze zijn in de voorzomer het best zichtbaar; de kleur van de vrucht en het aantal pitten in de herfst. In de winter is pas te zien in of de planten bladverliezend zijn. Daarnaast maken de hybriden en cultivars het onderscheid tussen soorten nog lastiger.

Kortom: er wordt een zware aanslag gepleegd op onze discipline. De uitkomst van dit project is dan ook ongewis.

De geslachtsnaam ‘Cotoneaster’ is afgeleid van ‘cotonea’ , de oude naam voor kweepeer. De achtervoeging ‘aster’ is kleinerend bedoeld: onechte, minderwaardige kweepeer. Daar valt natuurlijk wel wat voor te zeggen vanuit een menselijke nuttigheidsoptiek: een dwergmispelvrucht is klein en niet lekker. Een kweepeer is groot en je kunt er heerlijke jam of gelei van maken. Mijn absolute topfavoriet.

Taalkundig zien we hier een verschijnsel dat in de naamkunde van planten wel meer voorkomt: planten worden benoemd met behulp van de naam van een andere plant. Niet zo creatief.

Zo cirkelen rond de Cotoneaster twee andere vruchten: mispels en kweeperen.

Tekst en foto’s: Aad van Diemen