De tuinen van Stadsboerderij De Wiershoeck in Beijum

door Luit Staghouer

.

Beste natuurliefhebber/-ster,

Dinsdag 10 mei was ik weer eens op de tuinen van Stadsboerderij De Wiershoeck in Beijum (Groningen). Twaalf jaar lang was ik, een groot deel van het jaar, een van de vaste deelnemers aan de wekelijkse excursies op de tuinen van De Wiershoeck en de aangrenzende Schoolwerktuinen. Door onze verhuizing van Bedum naar Assen kwam daar een eind aan. Maar het is leuk om er zo af en toe nog even weer een kijkje te nemen. In het verleden was het aantal wantsen vaak opvallend hoog in vergelijking met de diverse andere insectensoorten. Dat was nu niet anders.

De bessenschildwants (l.b.), groene schildwants (l.o.), meidoornkielwants, zuringrandwants (r.b.) en de smalle randwants (r.o.) zijn vrij forse wantsen. Zoals de naam al doet vermoeden is de smalle randwants iets slanker dan de andere wantsen. De meidoornkielwants is daarentegen iets groter. Het is een algemeen voorkomende wants, maar ik zie hem toch minder vaak dan de andere vier wantsen. De wants leeft op besdragende struiken en bomen en wordt vooral veel op meidoorn maar ook op lijsterbes en vogelkers aangetroffen.

De miersikkelwants, de kaneelglasvleugelwants en de geblokte glasvleugelwants zijn duidelijk heel andere wantsen. De kaneelglasvleugelwants heb ik vaak op De Wiershoeck gezien, de andere twee veel minder vaak.
Tijdens de excursie werd ook nog de koolwants (zwart-witte vorm) aandachtig bekeken, maar die heb ik niet kunnen fotograferen. Ik heb nog wel gespeurd naar de vuurwants, maar deze wants die wat betreft kleur en vorm lijkt op de kaneelglasvleugelwants, heb ik tot mijn verrassing niet gezien

In ons land komen 14 soorten bandzweefvliegen voor. De verschillen tussen deze zweefvliegen zijn soms klein en ze zijn daardoor (ook voor het beeldherkenningssysteem) moeilijk te determineren. De bandzweefvlieg links kon niet op naam worden gebracht. Over de bessenbandzweefvlieg (in het midden) bestond geen twijfel, maar de vlieg rechts werd met een zekerheidspercentage van 76,6% gedetermineerd als een bosbandzweefvlieg. Hij lijkt sprekend op de bandzweefvlieg links, maar aan de stand van de ogen is te zien dat het in ieder geval niet de zelfde vlieg is.

Zowel de gewone als de citroenpendelvlieg zijn al meerdere keren in een verslag voorbij gekomen. Ze lijken sterk op elkaar, de gele vlekken op het achterlijf (abdomen) bij de citroenpendelvlieg zijn lichter dan die bij de gewone pendelvlieg. Een ander, volgens mij duidelijker, verschil is te zien op de voorkant van de kop. De gewone pendelvlieg (linksonder) heeft daar een zwarte streep en dat heeft het ‘citroentje’ niet.

Een naam als ‘kleine wespenboktor’ doet vermoeden dat er ook een andere wespenboktor is. Dat is inderdaad het geval, er bestaat ook een ‘gewone wespenboktor’. Die ziet er anders uit en komt niet in ons land voor. De kleine wespenboktor (6-15 mm) is een bij ons vrij algemeen voorkomende kever. Ze zitten veel op boomschors van loofbomen en op bladeren. Als je binnen een voorraadje haardhout hebt opgeslagen dan heb je kans dat er een kleine wespenboktor tussen zit. Dat is niet erg, ze tasten geen verwerkt of bewerkt hout aan. Volwassen kevers laten zich vooral van mei tot juli zien.

De grote moeraswapenvlieg (12-17 mm) is in het westen en in het rivierengebied vrij algemeen, maar elders schaars. Hij heeft grote gele vlekken op het achterlijf. De antennen zijn kort. Vliegt van begin mei tot eind augustus, met de meeste waarnemingen in de periode half mei-eind juni. Ja, er is ook een kleine moeraswapenvlieg, maar die ziet er heel anders uit. Wapenvliegen danken hun naam aan soms meer, soms geen lange, spitse doorns aan het thoracale schildje (scutellum). Over de functie van die doorns is niets bekend. In ons land zijn 54 soorten wapenvliegen waargenomen, 45 daarvan worden als inheems gezien.

De snorzweefvlieg (7-12 mm) dankt zijn naam aan de smalle, zwarte bandjes tussen de oranje banden op zijn achterlijf. Deze bandjes hebben de vorm van snorretjes (model Zorro). Maar hij wordt ook pyjamazweefvlieg, dubbelbandzweefvlieg en cocacolazweefvlieg genoemd. De zweefvlieg leeft van nectar en stuifmeel van bloemen. Deze soort is erg populair in de tuinbouw, omdat de larven vraatzuchtige belagers van bladluizen zijn. Het vrouwtje legt tijdens haar leven 2000 tot 4500 eieren, er zijn meerdere (overlappende) generaties per jaar. De snorzweefvlieg overwintert in volwassen of in larvenstadium. Het is de meest algemene zweefvlieg van Nederland.

De viervleklibel (uit de familie korenbouten) is een echte libel. Een echte libel heeft de vleugels in rust gespreid, terwijl alle juffers (ook een libellenfamilie) – op de pantserjuffer na – de vleugels in rust samengevouwen houden. Verder staan de ogen van de juffers aan de zijkant van hun kop. Bij een echte libel raken de ogen elkaar en zijn ze naar voren gericht. De vliegtijd van de viervlek (40-48 mm) is van eind april tot begin september. Zij leven als libel relatief kort, maar de larven kunnen wel 2 tot 3 keer overwinteren. Soms komt de larve echter al na 1 overwintering uit het water. Mannetjes en vrouwtjes zijn vergelijkbaar getekend.

Bij de egelantier zitten aan de takken die uit de wortel te voorschijn komen en die niet al te zeer vertakken stekels met een brede voet die haakvormig zijn gekromd. Een doorn is altijd verbonden met zijn vaten, met het inwendige van de tak waar hij op staat. Bij een stekel is dat niet het geval en kan daardoor gemakkelijk van de tak worden losgemaakt.
Kruipend tussen de bladeren van lagere struiken of zonnend op die bladeren vind je soms een vrij grote, bruine spin: de kraamwebspin. De spin gebruikt geen net, maar jaagt op een prooi. Het vrouwtje loopt een tijdje rond met haar eicocon voordat ze een tentvormig spinsel weeft waar de cocon in wordt opgehangen (het kraamweb). Na de ‘geboorte’ blijven de spinnetjes nog een tijdje samen in het kraamweb en houdt moeder een oogje in het zeil.



Het veelstippig Aziatisch lieveheersbeestje (5-9 mm) is een zeer variabele soort. Het aantal stippen op de rode of oranje dekschilden varieert van 0 tot 19. Onder invloed van de temperatuur kunnen de stippen (nagenoeg) niet tot ontwikkeling komen, met in het extreme geval een geheel effen oranjerode kever (in hete/droge periodes), of juist zeer groot worden, uitlopen en samenvloeien tot een vrijwel geheel zwarte kever in koude/natte tijden. Het is een zeer algemene soort en vormt een bedreiging voor de inheemse soorten. Recentelijk lijkt het aantal iets af te nemen.
Het rond griendhaantje (ook blauw wilgenhaantje genoemd) is een kever die behoort tot de bladhaantjes. Hij is ovaal gevormd en meet 2,5 tot 4,5 mm. De bovenkant is metaalglanzend blauwzwart. De kop en het halsschild zijn fijn bestippeld. De poten zijn zwart. Dit algemeen voorkomend bladhaantje kan van april tot september (vooral) gevonden worden op diverse soorten wilg.



Ondanks het mooie weer vlogen er niet veel vlinders en nog minder lieten zich fotograferen. Het bont zandoogje en het muntvlindertje (rechtsboven) zie ik regelmatig, maar de rossige haakbladroller (spanwijdte ± 12 mm) kende ik nog niet. Het is een vrij algemene nachtvlinder die hoofdzakelijk voorkomt op de zandgronden in het binnenland en in de duinen. De volwassen nachtvlinders vliegen van mei tot juli, vaak in de middag. In het najaar spint de larve een paar bladeren samen en overwintert daarin. In ons land komen tientallen soorten haakbladrollers voor. Ze hebben (licht) gekromde vleugelpunten.

Groetjes,

Luit