Kampsheide en de Botanische tuinen in Utrecht, aangevuld met Balloërveld

door Luit Staghouwer

.

Beste natuurliefhebber/-ster,

Dit is een inmiddels iets aangepast vervolg op het vorige verslag met onderwerpen van Kampsheide en de Botanische tuinen in Utrecht. Ik kon het niet laten om een paar geplande onderwerpen te vervangen door een tweetal meer recente en volgens mij interessantere waarnemingen op het Balloërveld (de laatste twee in dit verslag).

De penseelkever (9-12 mm) is een insect uit de familie bladsprietkevers. Er zijn 7 soorten, 2 daarvan komen in ons land voor: Trichius zonatus en Trichius fasciatus. De Trichius zonatus komt het meest voor, de Trichius fasciatus wordt met enige regelmaat gezien in Limburg en op de zandgronden van Drenthe en de Achterhoek. Beide soorten hebben drie paar zwarte vlekken op de dekschilden, bij de Trichius fasciatus vloeien de bovenste twee zwarte vlekken samen in een doorlopende zwarte band. De penseelkever heeft een antenne-uiteinde dat bestaat uit lamellen. De lamellen zorgen ervoor dat de zintuiglijke cellen sterk vergroot worden. De kever eet de zachte delen van de plant en het stuifmeel van vooral van witte schermbloemachtigen. De paring vindt plaats in maart of mei. De eitjes worden in vermolmd hout afgezet. De larven (engerlingen) leven in én van het rottend hout en veroorzaken geen schade. Na ongeveer twee jaar verpoppen de larven zich in het hout. De volwassen kever leeft ongeveer twee maanden.

Er zijn bladwespen en echte bladwespen. De bladwespen of zaagwespen (Symphyta) zijn een onderorde van de vliesvleugeligen, met zo’n 6000 soorten. De echte bladwespen vormen de grootste familie (ruim 5000 soorten) van deze onderorde. Mogelijk danken ze daaraan de naam echte bladwespen. Ik heb er geen (andere) verklaring voor kunnen vinden. Dit zijn larven van twee echte bladwespen. De larven van de Monostegia abdominalis (boven) leven vooral op verschillende soorten wederik. Aan de kust leven de larven ook op melkkruid (zelfde familie als wederik). Op de onderste foto staat de larve (of het lege omhulsel) van de Eriocampa ovata. De larven komen aan de onderzijde van het blad naar buiten, en leven verder vrij op de onderzijde van het blad. Ze zijn rupsvormig, en in alle stadia behalve het laatste bedekt met een dikke laag hagelwitte vlokkige was. De soort is volledig parthenogenetisch (een vorm van ongeslachtelijke voortplanting).

In ons land komen drie soorten citroenzweefvliegen voor: gewone citroenzweefvlieg, boscitroenzweefvlieg en zuidelijke citroenzweefvlieg (foto). Uiteraard komt de eerste het meeste voor, maar niet in het noorden. De boscitroenzweefvlieg komt veel minder vaak voor en alleen in lichtrijke loofbossen op zand (in het oosten) en soms op kalk (in het zuiden). Over de zuidelijke citroenzweefvlieg is nog niet veel bekend. Hij is relatief vaak waargenomen in Groningen en verder nog maar sporadisch op enkele andere plekken. Waarschijnlijk leven de larven in mierennesten. Ik ben de zuidelijke citroenzweefvlieg al eens eerder tegengekomen. Hij vliegt van eind met tot begin september.

De kolibrievlinder is zeker geen zeldzaamheid, maar het is toch wel een bijzondere vlinder. Je ziet de kolibrievlinder vrijwel altijd vliegend, want net als de kolibrie gaat hij niet op een bloem zitten om eruit te drinken, maar blijft hij er slechts kort, met snelle vleugelslag, voor hangen. Om vervolgens naar een andere bloem te schieten. In dit geval van de betonie. De kolibrievlinder is een dagactieve nachtvlinder. Het is een trekvlinder die jaarlijks in het voorjaar vanuit het zuiden van Europa naar ons land toe komt en zich hier voortplant. De kolibrievlinder hoort bij de pijlstaarten en de overwegend groene rups heeft dan ook het kenmerkende pijltje op het achterste deel. De nakomelingen vliegen vooral in augustus en dan is de trefkans het grootst. Enkele dagen geleden zagen we de kolibrievlinder ook bij ons in de tuin.

Bij de betonie vlogen ook enkele grote wolbijen. Vrouwtjes verzamelen stuifmeel voor hun larven. Ze vervoeren dit stuifmeel de ‘buikschuier’: lange, dichte beharing onderop haar achterlijf. Mannetjes (met lange witte haren aan hun poten) zijn vooral geïnteresseerd in de vrouwtjes. Concurrenten (maar ook andere vliegende insecten) worden uit het territorium verdreven. De grote wolbij heeft een voorkeur voor vlinder- en lipbloemen en helmkruidachtigen. Verder is belangrijk dat er planten met harige bladeren of stengels in de buurt zijn. Het vrouwtje knaagt deze haren van de planten af en neemt ze mee naar het nest, om hier de nestcellen van te bouwen. Soms bouwen wolbijen een nest in bijenhotels, maar meestal geven ze de voorkeur aan een iets ruimere behuizing, zoals in kieren in metselwerk en kleine bloempotjes. Overigens zijn wolbijen wel regelmatig in bijenhotels te zien, maar deze gebruiken ze dan vooral als overnachtingsplek. De grote wolbij komt in Nederland meer voor in stedelijk gebied dan in ‘echte’ natuur. Met een beetje geluk zien we hem binnenkort ook weer in eigen tuin (op betonie).

Al een paar keer zag ik een geheel donker kevertje. Het werd gedetermineerd als een valkever. Er blijken een paar soorten valkevers te zijn. Maar het zal de ‘donkere valkever’ zijn geweest. Het beestje deed zijn naam eer aan want voordat ik een foto kon maken liet hij zich vallen. Ook het hertshooisteilkopje is een valkever, hij wordt ook wel de geelvlekvalkever genoemd. Het is een kevertje van 3 tot 5 mm groot en heeft een zwart met witgeel of oranje kenmerkend vlekkenpatroon. Hij behoort tot de bladhaantjes. Verspreiding: op zandgrond, ook op de kustduinen maar ontbreekt op de Waddeneilanden. De kever komt van mei tot augustus voor. De larven leven in een kokertje gemaakt van uitwerpselen op de bodem en voeden zich met plantendelen.

Elfjes zijn kleine tot middelgrote, slanke, zwarte zweefvliegen (7-12 mm), meestal met gele vlekken of banden, soms geheel zwart. In de Veldgids Zweefvliegen worden 15 soorten genoemd. Sommige soorten komen veel en algemeen voor, enkele andere soorten zijn minder algemeen en een paar zijn zeer zeldzaam. Het variabel elfje (links) komt het hele jaar algemeen voor, vooral in door de mens beïnvloede omgeving (beboste landschappen, parken en tuinen). Het spits elfje is iets minder algemeen en is te zien van eind met tot begin oktober. Aan de stand van de ogen is weer te zien dat het mannetjes zijn.

Regelmatig verbaas ik me over de namen van insecten. Waaraan zou de menuetzweefvlieg zijn naam te danken hebben? De menuetzweefvlieg is een kleine slanke soort, herkenbaar aan de combinatie van witte vlekkenparen op rugplaatjes 2-4, roze antenne, witachtige zijkanten van borststukrug en dikke achterdijen. Lengte 5-9 mm. Beide seksen vliegen laag door open kruidenvegetatie of laag struweel en bezoeken een breed spectrum aan bloemen. Mannetjes vertonen een typisch territorium- en baltsgedrag: ze vliegen met de kop schuin omlaag naar het vrouwtje gericht rondom bloemen waar vrouwtjes op zitten. In deze houding vliegen ze ook achter andere mannetjes aan, waarbij geen sprake is van een agressieve benadering. Ook volgt het mannetje vaak een vrouwtje in de vlucht. Aan het opvallende vlieggedrag dankt de soort zijn Nederlandse naam (een menuet is een Franse dans). Zouden de mannen tijdens de menuet ook met het hoofd schuin naar beneden hebben gedanst?

Volwassen groene schildwantsen heb ik al honderden keren gezien, jonge groen-zwarte nimfen ook. Verse eitjes zag ik ook al tientallen keren, maar een groepje van 28(?) ‘pas geboren’ nimfen van de groene schildwants die nog op de eitjes zitten zag ik nog niet eerder. De groene schildwants produceert tot ongeveer 100 eitjes in totaal die in regelmatige clusters van enkele tientallen eitjes worden afgezet. Als de zich in het ei ontwikkelende embryo’s bijna zijn volgroeid, worden de oogjes zichtbaar als kleine rode stippen en tevens verschijnt een donker driehoekje aan de bovenzijde van ieder ei waarmee de nimf het ei zal openen. De bovenzijde van het ei bestaat uit een aparte structuur en fungeert als een soort deksel waardoor de nimf uit het ei kan kruipen.

Ongeveer twee maanden geleden fotografeerde ik op het Balloërveld een vrouwtje nachtpauwoog. Ruim een week geleden zag ik op zo’n 30 meter afstand van waar destijds het vrouwtje zat twee rupsen van de nachtpauwoog. Een paar dagen geleden zag ik daar vlakbij nog een rups. Misschien een van het eerder geziene tweetal. Toen ik daarna richting huis fietste zag ik honderden meters verderop een rups op het fietspad. Nadat ik hem had gefotografeerd bracht ik hem/haar in veiligheid. Twee andere rupsen bleken daar minder geluk te hebben gehad. Op de site van de Vlinderstichting staat bij de nachtpauwoog o.a. het volgende vermeld: “Vrij algemeen. Komt vooral op de Veluwe voor, de Utrechtse Heuvelrug, in heidegebieden in het noordoosten van het land en in de drie zuidelijke provincies; kan op sommige vliegplaatsen talrijk zijn.”

Groetjes,

Luit