Op bekend terrein-1

door Luit Staghouwer

Beste natuurliefhebber/-ster,

Bijna alle foto’s in dit verslag werden gemaakt op diverse locaties op het Balloërveld. Ook dit keer zijn er een aantal voor mij nieuwe exemplaren bij. Het is altijd weer hetzelfde: je moet erop uit, goed kijken en ook een portie geluk hebben.

De heidewespbij (6-9 mm) was vrij talrijk op de pleistocene zandgronden, met name, zoals de naam al aangeeft op heidevelden. Het is een laat vliegende koekoeksbij die parasiteert in de nesten van verschillende soorten laat in het seizoen vliegende zandbijen maar vooral bij de heidezandbij. Maar de vergrassing (het ontbreken van geschikte nestlocaties) is voor zowel de heidewespbij als haar gastbij een probleem. De heidewespbij heeft een zeer contrastrijke, scherp begrensde, gele tekening op borststuk en achterlijf. De poten zijn licht roodbruin gekleurd. Vliegtijd: juni t/m september.

Pantserwantsen (5-20 mm) hebben een eironde tot langwerpig-eivormige lichaamsbouw. Er bestaan bijzonder kleurrijke exemplaren en daardoor worden ze ook wel juweelwantsen genoemd. De bij ons voorkomende soorten, zoals deze gewone pantserwants (8-11 mm), zijn echter onopvallend gekleurd. De gewone pantserwants komt wijd verspreid en vrij algemeen voor op zandgronden, daarbuiten zijn ze schaars. De soort heeft zich recent enorm uitgebreid en komt nu algemeen voor op de zandgronden, inclusief de Waddeneilanden. De wants wordt waargenomen van april tot in oktober. De volwassen wants overwintert. Links twee nimfen, rechts twee volwassen exemplaren.

Tijdens een van mijn speurtochten zag ik op een uitgebloeide bloem iets opvallends. Het kwam niet door het formaat, maar door de kleur dat ik besloot om er eens aandachtig naar te kijken. Door de lens van de camera zag ik dat het een nimf van een wants was, die kort daarvoor uit zijn oude huid (skelet) was gekropen. Doordat ik in de nabije omgeving al een paar gewone pantserwantsen had gezien, vermoedde ik dat dit er ook een was. Dat werd door het beeldherkenningssysteem op Waarneming.nl bevestigd. 

De gouden tor en de gedeukte gouden tor lijken sterk op elkaar. Zo sterk zelfs dat de tor op de ene foto als gouden tor werd herkend en dezelfde tor op de andere foto als gedeukte gouden tor. Meestal is op basis van een foto van de bovenkant een juiste determinatie niet mogelijk. De gouden tor is zeldzaam, dus zal dit waarschijnlijk wel de gedeukte gouden tor zijn. Beide soorten hebben een metaalachtige groene kleur. Ze zijn veel te vinden op bloemen, in bloemrijk gras en op bloeiende struiken en bomen. Een bijzondere eigenschap van deze bladsprietkevers (± 20 mm) is dat de dekvleugels tijdens het vliegen maar een klein beetje opgeheven worden, de ondervleugels worden gewoon onder de uitsparingen in de dekschilden doorgeschoven. De dekschilden zelf zijn met elkaar vergroeid. De torren vliegen van mei tot juli-augustus.

De wespspinnen op mijn vaste stek bij Kampsheide zijn niet terug te vinden. Waarschijnlijk zijn de webben vernield door rondstruinende honden. Maar op de grens van het Balloërveld en de Ossebroeken zag ik wel enkele, inmiddels flink gegroeide, vrouwtjes wespspin. De tekening op het achterlijf is al kleuriger en duidelijker geworden. Zoals gebruikelijk is het web gemakkelijk te herkennen aan twee extra zigzag matjes die straalsgewijs vanuit het centrum zijn aangebracht, een kleine naar boven en een grotere naar onderen. Deze worden het stabiliment genoemd. De exacte functie hiervan is niet precies bekend. Het web wordt vanwege de voorkeur voor sprinkhanen dicht boven de grond tussen grashalmen en stengels gespannen. Tegen het einde van de zomer spint het vrouwtje van de tijgerspin verschillende grote papierachtige, bruine eicocons. Die hebben dikwijls de vorm van een kruik en bevatten soms tot wel vierhonderd eitjes. Het vrouwtje (11-20 mm) is aanzienlijk groter dan het mannetje (4-6,5 mm).

De sluipvlieg Gymnosoma nudifrons (5-7 mm) wordt meestal gevonden in lagere vegetatie of op bloemen. Mannetjes hebben op de rug ronde zwarte vlekken, bij de vrouwtjes zijn de vlekken driehoekig en liggen dichter bij elkaar. Volwassenen zijn te vinden van mei tot oktober. Biotoop: bosranden, bloemenweiden, parken en tuinen. Ze voeden zich met nectar en stuifmeel van verschillende bloemen. De larven zijn inwendige parasieten bij schildwantsen. De larve overwintert in het gastheerinsect. Na de winter komt de larve naar buiten om zich in de grond te verpoppen.

In Europa komen 33 soorten glasvleugelswantsen voor. Bij veel soorten is het middelste deel van de voorvleugel transparant. Daaraan refereert de Nederlandse naam glasvleugelwantsen. Volgens mij heb ik deze twee soorten nog niet eerder gezien. De brilglasvleugelwants en z’n ‘broertje’ de grijze glasvleugelwants komen allebei steeds meer in Nederland voor, hoewel ze zo’n 15 jaar geleden beide nog zeer zeldzaam waren. De brilglasvleugelwants (links) is altijd bruinig, soms met een wat gelige inslag. De grijze glasvleugelwants is altijd grijzig tot zwart. Deze wantsen zaten dicht bij elkaar, ik dacht in eerste instantie dat het misschien een mannetje en een vrouwtje zouden zijn.  
De brilglasvleugelwants (7,0-8,7 mm) overwintert als adult en kan het hele jaar worden waargenomen met een duidelijke piek in augustus­-september. Onder gunstige omstandig heden kan zich in het najaar mogelijk een tweede generatie ontwikkelen. Biotoop: allerlei soorten droge tot iets vochtige, kruidenrijke graslanden en wegbermen met composieten als duizendblad en kamille. Verspreiding: algemeen op de hogere zandgronden, vooral in het zuidoosten van Nederland. Zeldzaam in de kuststreek en op de Waddeneilanden.
De grijze glasvleugelwants (6.5-8.5 mm) overwintert als adult en kan het gehele jaar aangetroffen worden, maar het talrijkst in de periode juli tot oktober. Onder gunstige omstandigheden kan zich in het najaar mogelijk een tweede generatie ontwikkelen. Biotoop: allerlei soorten droge en vaak iets voedsel­ en kruidenrijke graslanden, wegbermen en ruderale terreinen met composieten als boerenwormkruid en duizendblad. Verspreiding: algemeen in een groot deel van Nederland, wordt naar het noorden toe zeldzamer.

Op een jeneverbes ontdekte ik dit mannetje hageheld. Het is een algemene nachtvlinder die vooral overdag rondvliegt van half juni tot half augustus in één generatie. Hij komt voor in tal van biotopen: heiden, bosranden, struwelen, ruige graslanden en duinen. Het is één van de grotere nachtvlinders met een spanwijdte van ongeveer 8 cm. Over de donkerbruine vleugels loopt centraal een bruingele band. Op de voorvleugels is een duidelijke witte stip aanwezig. Het vrouwtje is groter en lichter gekleurd dan het mannetje. Het mannetje heeft sterk geveerde antennes. De vlinder eet niets; hij heeft namelijk geen monddelen. Hij kan dus enkel teren op de reserves die hij als rups heeft opgedaan.
Rups: september-mei. De rups, waarvan de haren soms huidirritatie kunnen veroorzaken, is vaak zonnend aan te treffen. De rups verpopt zich tussen dode bladeren in een taaie, stevige bruine cocon.

Op het Balloërveld zag ik meerdere soorten vlinders waaronder de kleine vuurvlinder. Het is een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt. Deze vrij kleine dagvlinder vliegt gedurende het jaar in drie generaties rond, van eind april tot eind juni, van eind juni tot begin oktober en van begin september tot eind oktober. De bovenzijde van de voorvleugel is oranje met onregelmatige zwarte vlekken en een bruine rand. Aan de onderzijde is de tekening vergelijkbaar, maar met een licht grijsbruine bruine rand en lichter oranje. De achtervleugel is aan de bovenzijde bruin met wat zwarte vlekken en een oranje veld bij de achterrand. De onderzijde is licht grijsbruin en heeft een heel onduidelijke tekening: hieraan is de soort in Europa gemakkelijk van andere vuurvlinders te onderscheiden. Rups: half augustus-half mei en eind mei-begin juli. De soort overwintert als halfvolgroeide rups in de strooisellaag.
Ook zag ik nog een bruine vuurvlinder. Het is een schaarse standvlinder die lokaal voorkomt op de zandgronden van de Veluwe, Drenthe en delen van Twente. De bovenkant van de voorvleugel van het mannetje is bruin met enkele zwarte vlekken; langs de achterrand bevinden zich oranje vlekjes. Bij het vrouwtje (foto) is de bovenkant van de voorvleugel oranje met zwarte vlekken.

Ook op een tropisch warme zondag ging ik nog ‘even’ weer op pad. Schijnbaar vonden veel insecten het ook te warm. Ik zag er maar weinig en de meesten die ik zag waren erg druk. Op de bovenzijde van enkele bladeren van de beuk zag ik een paar forse gallen van de beukengalmug en de kleinere, behaarde gallen van de beukenhaargalmug. De beukenhaargalmug vliegt in mei-juni. Vanaf mei zijn deze gallen te zien. De gallen zitten vaak nabij hoofd- of zijnerven. De gal is 1-5 mm hoog en is dicht behaard, met witte, gele of bruine haren. Aan de bladonderzijde zit een ronde platte verdikking. Er is 1 larve per gal en de larve is wit. Er is een generatie per jaar; de larve overwintert in de afgevallen gal, en verpopt daarin ook in het voorjaar.

Groetjes,

Luit