Paddenstoelen en korstmossen

Beste natuurliefhebber/-ster,

De afgelopen week vond ik het meestal niet echt aantrekkelijk om buiten een aantal uren te gaan speuren naar interessante onderwerpen. Dat zal de komende maanden wel vaker het geval zijn en daardoor is dit waarschijnlijk voorlopig het laatste verslag. Misschien dat er tot aan het voorjaar zo af en toe nog een verslag verschijnt, maar dat is afhankelijk van het weer en wat er eventueel te zien zal zijn. Bij gebrek aan insecten zoek ik naar andere onderwerpen. Onlangs keek eens rond op de Noorderbegraafplaats te Assen. Veel paddenstoelen had ik niet meer verwacht, ik richtte mijn aandacht vooral op korstmossen. Die zijn daar, vooral op de iets oudere graven, in ruime mate aanwezig. In Nederland komen ongeveer 650 soorten korstmossen voor, en ze zijn er in alle soorten en maten. Een korstmos is een symbiose tussen een schimmel en een alg, waar de alg met fotosynthese vooral zorgt voor de benodigde suikers en de schimmel de vasthechting, bescherming, en vorm van het korstmos bepaald.

Op het Balloërveld zag ik op een paar plaatsen het groot kalkschuim. Net als bijvoorbeeld heksenboter en bloedweizwam is het een slijmzwam en kan het zich in de beginfase (heel langzaam) voortbewegen over het substraat. De zwam groeit meestal tussen vochtig gras, het leeft op kruidachtige plantendelen. In het begin is de kussenvormige slijmzwam geel, maar al vrij snel wordt de zwam wit en wordt de structuur opener en hoekiger. De zachtgele massa verbleekt in de loop van één dag. Binnenin de zwam rijpen de sporen en ze komen als een zwarte verkleuring zichtbaar aan de oppervlakte. Het groot kalkschuim komt in de herfst vrij algemeen voor. (11-11)

Ik heb geen idee of er naast het groot kalkschuim nog een andere soort kalkschuim bestaat. Maar de  toevoeging ‘grote’ bij de grote sponszwam is niet misplaatst, bovendien bestaat er ook nog een breedbladige sponszwam. Sponszwammen zien eruit als een grote ouderwetse badspons en hebben een bloemkoolachtige structuur met veel, gelobde, vertakkingen. Ze kunnen 50 cm breed, 15 cm hoog en wel 5 kg zwaar worden. De gelobde vertakkingen hebben bruinwordende randen. Grote sponszwammen leven van dood wortelhout van meestal oude nog levende naaldboomsoorten op zandgronden. De paddenstoelen zijn van juli tot december te vinden, maar vooral in september en oktober. In Zuidoost-Azië worden ze veel gekweekt voor consumptie en medische toepassingen. Dit restant zag ik op 11 november in het Tumilibos.

Er zijn meerdere soorten elfenbankjes, maar dit is de ‘gewone’ (Trametes versicolor). De naam elfenbankje komt van de groeiwijze. Ze vormen een plat oppervlak terwijl ze uit de stam van een boom groeien, het lijkt een soort zitvlak, maar dan voor hele lichte wezens, zoals elfen. In Engeland vinden ze de zwam lijken op de staart van een kalkoen en wordt daar ‘Turkey Tail’ genoemd.
‘Versicolor’ betekent meerkleurig. De als fluweel aanvoelende hoed met een breedte van 4 tot 8 cm, bestaat uit verschillende kleuren, van zwart, bruin, blauwgrijs tot paars en geel met een witte rand. Het mycelium koloniseert vooral dode stobben, maar kan ook levende bomen infecteren wanneer hun bast na een aanrijding is beschadigd, of er een dikke tak is afgezaagd. Bovendien kan de paddenstoel opgeslagen hout en houten voorwerpen in tuinen en parken aantasten. Het uiterlijk van elfenbankjes is bijzonder variabel. Het is een 1-jarige die we het hele jaar kunnen aantreffen en die vaak in de herfst in groot aantal verschijnt, naast en dakpansgewijs boven elkaar. Deze constructies worden ieder jaar opnieuw gevormd. Dit fraaie duo zag ik op Kampsheide. (30-10)


De oranje aderzwam is in de periode september t/m december een algemeen voorkomende korstschimmel op dode bomen of takken van voornamelijk loofbomen. De vruchtlichamen beginnen als kleine vlekken en worden later groter om uiteindelijk met elkaar te versmelten. De zwam kan wel tientallen centimeters groot worden. Het oppervlak is gerimpeld, hobbelig, en voorzien van talrijke bultjes, verdikkingen en vreemdgevormde uitsteeksels. De sporen worden op dit geribbelde oppervlak gevormd. Vooral aan de rand is de kleur van de korsten vaak fel oranje, in het midden is hij meestal grijzig met rozeachtige tinten. (Bij Rolde 08-11)


Zoals verwacht waren de paddenstoelen schaars op de Noorderbegraafplaats, maar er stond toch nog een mooi exemplaar eekhoorntjesbrood, nog rijkelijk veel mosklokjes en een paar sneeuwzwammetjes. Er zijn meerdere soorten eekhoorntjesbrood die sterk op elkaar lijken. Mosklokjes zijn kleine, tere, honinggele of geel- tot roodbruine plaatjeszwammen met klokvormige tot uitgespreide hoedjes, die tussen en op mossen en op hout leven. In ons land komen meer dan 55 soorten voor. De meeste soorten zijn alleen op grond van microscopische kenmerken zeker op naam te brengen.
Het sneeuwzwammetje is een wasplaat die in schrale, zure, mosrijke graslanden of grazige wegbermen, en op de hellingen van oude dijken kan verschijnen. In jonge toestand zijn de vruchtlichamen helemaal wit, later ontwikkelen ze beige tot grijsgele tinten. Sneeuwzwammetjes worden beschouwd als eetbaar, maar vanwege hun zeldzaamheid en beschermde status mag men ze beslist niet verzamelen. Bovendien is er kans op verwisseling met giftige trechterzwammen.


Op veel graven komen vaak meerdere soorten korstmossen voor. Korstmossen zijn nogal variabel van uiterlijk en ze zijn daardoor lastig op naam te brengen. Niet alleen voor een ondeskundige liefhebber als ik, maar ook voor het zeer gewaardeerde beeldherkennigssysteem. Voor het korstmos links kreeg ik o.a. de volgende suggesties: rond dambordje (53.7%) en witrandschotelkorst (47.4%).
Het ronddambordje lijkt me het meest waarschijnlijk. Het is een grijze, korstvormige soort waarvan het thallus bestaat uit areolen die vaak los van elkaar staan. De kleur is grijs tot vaalwit.
Met een score van 99.0% lijkt het zeer waarschijnlijk dat de soort rechts een kastanjebruine schotelkorst is. Deze schotelkorst groeit op niet al te zure steen. Het thallus is korstvormig, wit, glad en redelijk dun. De apotheciën zijn donkerbruin tot 3 mm groot. Apotheciën: Een meestal komvormig, vruchtlichaam voor geslachtelijke voortplanting. Thallus: Het gehele korstmos, behalve de vruchtlichamen. Het thallus kan meerdere groeivormen hebben.


Het rond schaduwmos is een grijs tot bruin, bladvormig korstmos. Het thallus wordt doorgaans niet erg groot (3–4 cm) en ligt dicht tegen het substraat aan. Wanneer rond schaduwmos goed ontwikkeld is, heeft het de vorm van een rozet, maar dikwijls is de vorm onregelmatig. De soort groeit op de bast van loofbomen (vooral populieren, wilgen en iepen) en op allerlei gesteente. Deze stikstofminnende soort is een van de meest voorkomende bladkorstmossen in Centraal-Europa en is goed bestand tegen luchtverontreiniging.

Ook nu ga ik er maar weer vanuit dat het beeldherkenningssysteem dit korstmos correct heeft gedetermineerd (score 99.9%). Het is de muurschotelkorst, een algemeen korstmos dat meestal groeit op steen (bakstenen muren, beton, cement, tegels, dakpannen, basaltkeien) en soms op stoffig hout. Het groeit vooral op horizontale, tijdelijke vochtige kalkrijke oppervlakken, zoals stoeptegels en bovenkanten van baksteenmuren. De soort is stikstofminnend, relatief goed bestand tegen vervuiling en houdt van goed belichte plekken. Het thallus is geelgroen, aan de rand gelobd, vaak wat bruinachtig in het midden, en 2 tot 10 cm in doorsnee.

De platte citroenkorst kreeg een score van 100.0%, er lijkt me geen twijfel mogelijk. Het thallus van de platte citroenkorst is helder oranje van kleur en dof van tint. Dit korstmos heeft de vorm van een rozet met afgeplatte en tamelijk brede (1.5 tot 3 mm) randlobben, die dicht tegen het substraat aanliggen. Het centrum van het thallus is in eilandjes opgesplitst en meestal wat donkerder van kleur dan de rand. De soort is stikstofminnend, zonminnend, warmteminnend en droogteminnend. De oranje kleur van de thalli is te wijten aan de aanwezigheid van carotenoïden. In Nederland is de platte citroenkorst een tamelijk zeldzame korstmos-soort, die volgens de veldgids van de KNNV vooral groeit op kalkhoudend gesteente van oude vestingwerken, kerken, grafzerken, en de beschoeiing van dijken langs het IJsselmeer. In Limburg groeit dit korstmos ook op rotsen van tufkrijt.


Een gemakkelijk te herkennen soort is de zwarte grafkorst. Het is een soort die vooral op oude horizontale graven groeit op kalkrijke steen. De zwarte grafkorst heeft een kenmerkende blauwgroene randzone met meestal een lichte buitenste rand. Doordat de soort moeite heeft zich te verspreiden is hij vrij zeldzaam. Maar als hij er eenmaal is dan kan hij zich ter plekke vaak wel goed uitbreiden. Zowel op de Zuider- als de Noorderbegraafplaats komt de zwarte grafkorst veelvuldig voor.

Onlangs zag ik een foto met beschrijving van de rododendronknopvreter. De rododendron is op veel begraafplaatsen aanwezig, ook op de Noorderbegraafplaats. Dus bekeek ik aandachtig de oude knoppen. Ik zag slechts een enkele oude knop zonder de rododendronknopvreter, de meeste knoppen bleken bedekt met “kleine zwarte knopspelden”. Aangetaste knoppen worden uitsluitend gevonden op struiken van sommige grootbladige roododendronsoorten. De schimmel is afhankelijk van, en wordt verspreid door, de rododendroncicade, een fraai gekleurde cicade waarvan de volwassen exemplaren te vinden zijn vanaf het midden van juli tot ver in de herfst. Ik heb er nog eentje gezien. Deze cicaden planten zich exclusief voort op rododendronstruiken. Daarbij worden eitjes onder de schubben van de bloemknoppen gelegd. Waarschijnlijk worden de bloemknoppen tijdens het leggen van de eitjes besmet met de schimmel die de cicade bij zich draagt. Deze knoppen komen niet uit, maar mummificeren in plaats daarvan. De zwam is het jaar daarop pas zichtbaar. De nimfen komen uit op het moment dat de struik gaat bloeien. Ze voeden zich met de knop, de bloemen en jonge bladeren.

Groetjes,

Luit