Zomer-2

door Luit Staghouwer

.

Beste natuurliefhebber/-ster,

De foto’s in dit verslag werden allemaal weer gemaakt bij Kampsheide en op het Balloërveld. Op het ‘veld’ zag ik veel nestingangen van zandbijen, maar de met stuifmeel beladen bijen lieten zich niet fotograferen, ze verdwenen steeds razendsnel in hun nest. Ook zag ik op eikenbomen veel ananasgallen en knikkergallen. Er was weer veel te zien en dus was er ook weer materiaal genoeg voor een verslag. Het maken van het verslag kost veel (avond-)uurtjes. Overdag ben ik vaak weer op ‘safari’ en de dan gemaakte foto’s moeten dan ’s avonds worden bekeken, geselecteerd en bewerkt. Voordat een verslag klaar is heb ik dan al weer een serie foto’s voor een volgend verslag. Soms zit daar een foto tussen die ik graag met voorrang in het verslag wil behandelen. Dat was nu niet anders.
                   

Op de kattenstaart langs het zandpad aan de rand van Kampsheide (bij het moerasgebiedje) zag ik enkele exemplaren van deze wants. Het is, heel toepasselijk, de kattenstaartsierblindwants (7-7,6 mm). De wants is meestal geheel opvallend roodbruin, soms geheel groenachtig bruin. Hij heeft een fijne gele beharing. Het halsschild (pronotum) heeft soms twee zwarte stippen. De cuneus (uiteinde van het hoornachtig deel v.d. voorvleugel) is geel tot oranje, het membraan (vliezig deel van de voorvleugel) is donker. De poten zijn roodbruin, de dijen zijn donker gevlekt. Schenen van de achterpoten hebben zwarte stekels. Voorkomen: in Nederland gewoon in vochtige biotopen. Volwassen wantsen worden waargenomen van eind juli tot midden oktober. Er is een generatie per jaar. De soort overwintert als ei.
                   

Maar er zat meer op de kattenstaart. Om dat te zien moet je wel een scherpe blik hebben, of (zoals in mijn geval) een nieuwe bril. De dwerg-kattenstaartsnuitkever was talrijk aanwezig en zo te zien willen ze dat graag zo houden. Het lichaam is geheel zwart maar met variabele gele of crème markering op de dekschilden. De volwassen snuitkever (1,5-2,5 mm) overwintert tussen bladafval en pollen enz. in de buurt van de gastheer. Eind april, begin mei worden ze actief en voeden ze zich met de toppen van jonge bladeren, later met de bloembladen. De vrouwtjes hebben een lang legseizoen (juni-september). De eitjes worden in de toppen van ongeopende knoppen gelegd. Knoppen die al een ei bevatten, worden door andere vrouwtjes genegeerd (hoe zouden ze dat weten?), zodat er zich in elke knop slechts één larve zal ontwikkelen. Verpopping vindt plaats in de knop en de ontwikkeling van ei tot volwassen kever duurt ongeveer een maand. In augustus verschijnt er een nieuwe generatie. Deze overwintert weer tussen het bladafval en de cyclus begint opnieuw.
Er zat nog iets kleins, zelfs iets kleiner, op de kattenstaart. Waarschijnlijk is het een vrouwtje bronswesp(achtige). Er zijn meer dan 1.100 soorten bronswespachtigen bekend in Nederland. Bronswespen zijn kleine sluipwespen, van 0,5 mm tot een paar millimeter grootte. Veel bronswespen zijn parasitair en leggen hun eitjes bij de eitjes of larven van andere insecten.
                   

Zandoogjes zijn middelgrote vlinders die hun naam danken aan zwarte vlekken met witte kern (‘oogjes’) die ze vertonen. Bij het oranje zandoogje zie je die vlek nabij de punt van de voorvleugel. Het oranje zandoogje heeft zowel op de voor- als op de achtervleugel een grote oranje zone. De vleugels hebben een brede bruine rand. Een veelgehoord kenmerk is de zwarte oogvlek: die heeft bij het oranje zandoogje doorgaans twee witte kernen; bij het bruin zandoogje is dat er maar één. Dit kenmerk is niet waterdicht, geregeld kom je uitzonderingen tegen. Volgens het beeldherkenningssysteem zijn dit twee oranje zandoogjes. Mannetjes hebben donkere geurstrepen op de voorvleugel, die dwars op de vleugel staan. Bij vrouwtjes ontbreken de donkere geurstrepen. De oranje zone bij het bruin zandoogje is veel kleiner dan bij het oranje zandoogje. Het oranje zandoogje komt voor in 2 gescheiden delen van Nederland. In het noorden in Drenthe en delen van Groningen, Friesland en Overijssel en in het zuiden in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. In het midden van Nederland is het oranje zandoogje zelden te zien. Vliegtijd: juli t/m augustus. Er is 1 generatie per jaar. De vlinder overwintert als rups.
                   

De weidevlekoog (7-11 mm) is een zwart, glimmend zweefvliegje met opvallend gespikkelde ogen. Ze zijn overal te vinden, maar vooral in wat nattere omgevingen zoals aan slootranden. Beide seksen bezoeken vaak bloemen, zowel lage als hoge, zoals gewone berenklauw. De achterpoten zijn duidelijk gekromd. Alleen bij vrouwtje is het achterlijf grotendeels glimmend; bij mannetje met grote dofzwarte delen. Ogen van zowel het vrouwtje als het mannetje raken elkaar niet. De vliegtijd is meestal tussen april en september. Het ei komt na enkele dagen uit. De larve ontwikkelt zich (in 2-3 weken) in ondiep stilstaand water dat rijk is aan rottend organisch materiaal. De popfase duurt 10-20 dagen, verpopping vindt op een droge plek plaats. De winter wordt als larve doorgebracht. Op het borststuk van de weidevlekoog zitten licht grijze strepen waardoor deze te onderscheiden is van de kustvlekoog.
                   

Deze wants zag ik onlangs voor het eerst. Helaas waren de foto’s niet geschikt voor gebruik in het verslag. Gelukkig kwam ik hem kort geleden weer tegen en dit keer zowel een imago als een nimf. Ook nu zijn de foto’s niet zo als ik zou willen, het is niet anders. Er zijn meerdere veel op elkaar lijkende bruinachtige, roodachtig of geelachtig soorten. Maar dit is de kruidenspillebeen (5,8-7,5 mm). Deze wants heeft lichtgekleurde antennes, en schenen met smalle donkere ringen die vaak ontbreken. Mannetjes zijn altijd langvleugelig (macropteer). Vrouwtjes vaak ‘pseudobrachypteer’ (vleugels even lang als het lichaam) zelden kortvleugelig (brachypteer). Het is een in droge leefgebieden met grassen en kruiden veel voorkomende soort. De volwassen wantsen worden waargenomen van begin juni tot eind oktober. Er is een generatie per jaar. Overwintering: als ei.   

               

Ik dacht dat het een wespbij zou zijn omdat ik weet dat het bij wespbijen heel gebruikelijk is dat ze vastgebeten aan een plant slapen. Maar het bleek de gewone viltbij te zijn. Deze bij komt, in de periode juli-september, verspreid over het gehele land voor op zand­ en lössgronden. De gewone viltbij heeft een zwart lijf met witte viltvlekken op het borststuk en achterlijf. De poten zijn grotendeels rood, bij het vrouwtje zijn ook de schouderbultjes en de vleugelschubjes rood. Lengte vr. 7-9 mm, m 6,5-8 mm. Er is één generatie per jaar. Deze kleine koekoeksbij parasiteert in de nesten van zijdebijen, vooral de wormkruidbij.
                   

Goudwespen doen hun naam eer aan, ze behoren tot de mooiste insecten van Nederland wat betreft kleur; variërend van hard, metaalachtig blauw, groen, rood tot goud. Vrouwtjes leggen hun ei in nesten van solitaire bijen en wespen. De ongewenste gastlarve komt eerder uit en eet meteen het ei van de bij of wesp op. Vervolgens verslindt de larve de aanwezige voedselvoorraad die de gastvrouw bijeen heeft gebracht. Deze tactiek wordt ook wel kleptoparasitisme genoemd. Natuurlijk is dat riskant, als de ‘eigenaresse’ van het nest terugkomt terwijl de goudwesp (koekoekswesp) er nog in zit, zal ze proberen de goudwesp te doden met haar angel. De goudwesp verdedigt zich dan door zich op te rollen en weg te kruipen in haar schitterende en sterke pantser. Van de goudwespen zijn zo’n 57 soorten in ons land bekend.
                   

Toen ik dit insect met gestreepte ogen zag dacht ik dat het een mij nog onbekende daas zou zijn. Maar het is een vrouwtje sprinkhaanvlieg. Ik had er nog nooit van gehoord. De sprinkhaanvlieg heeft een opvallende streping op de ogen, een puntig snuitje en grijs bestoven lengtestrepen op het borststuk. Door de oranje vlekken op het achterlijf wordt het mannetje wel eens aangezien voor een zweefvlieg, bijvoorbeeld een snuitzweefvlieg. Het vrouwtje heeft grijzige achterlijfsvlekken en duidelijk gescheiden ogen. De soortnaam laat zich makkelijk verklaren, deze vlieg is een belangrijke ei-predator van een aantal Afrikaanse sprinkhaansoorten, waaronder de treksprinkhaan.
Het is geen alledaagse verschijning. Op de site van Naturetoday.com las ik het volgende. “20-OKT-2014: Recordaantal sprinkhaanvliegen in Nederland in 2014. Dit jaar zijn tot nu toe al 48 sprinkhaanvliegen gezien in Nederland, veel meer dan de afgelopen jaren.”
                   

Enkele weken geleden zag ik een aantal rupsen van de nachtpauwoog. Het waren mooie rupsen en ongeveer 3 cm groot. De nachtpauwoog is een grote vlinder en de rups is de groeifase van de vlinder, vlinders groeien niet meer. Deze, volgens mij, volgroeide rups stak het fietspad op het Balloërveld over. Ik heb gezorgd dat hij veilig de overkant heeft bereikt en attendeerde enkele passanten op de grote rups. Ze waren allen onder de indruk van deze voor hen onbekende, grote rups. De rups was ongeveer 6 cm groot en dat is ook het maximale formaat. Mogelijk was de rups op weg om te gaan verpoppen. De verpopping vindt plaats in een cocon die iets boven de grond is vastgemaakt aan een plantenstengel. De pop overwintert in de cocon. Rupsen van de nachtpauwoog zijn te zien in de periode mei-augustus.
                   

Het is jammer voor de rode of gewone smalboktor, maar hij heeft zijn plaats in dit verslag moeten afstaan aan de kommavlinder. Deze vlinder is te herkennen aan de witte vlekjes onderaan de achtervleugel en een kommavormige vlek nabij het lichaam. Het is een vrij zeldzame standvlinder die in de afgelopen eeuw sterk is achteruit gegaan in areaal en in aantal. De soort komt momenteel nog voor in de duinen tussen Wijk aan Zee en Egmond en op de Waddeneilanden. Op de Veluwe is de kommavlinder nog vrij gewoon. In Utrecht, Noord-Brabant, Overijssel en Drenthe bevinden zich geïsoleerd liggende populaties. Vliegtijd: begin juli-eind augustus in één generatie. Rups: half maart-half juli. De soort overwintert als ei.

Groetjes,

Luit