
De recente opmars van de goudjakhals en de terugkeer van de wilde kat ervaren we als iets bijzonders. Maar wie de Nederlandse natuur over een langere tijdschaal bekijkt, ziet een landschap dat voortdurend verandert. Soorten verdwijnen, keren terug of verschijnen in gebieden waar ze eerder niet voorkwamen. Ze confronteren ons met een interessante vraag: wanneer vinden wij eigenlijk dat een dier ergens thuishoort?
Tekst: Glenn Lelieveld (Zoogdierbescherming Nederland) en Leo Linnartz (ARK Rewilding Nederland) – Foto: Saxifraga-Jan Nijendijk
Nederland is de afgelopen eeuw ecologisch opener geworden. Bossen zijn ouder en gevarieerder, natuurgebieden beter met elkaar verbonden en de bescherming van wilde dieren heeft ertoe geleid dat populaties zich konden herstellen. Daardoor is Nederland steeds nadrukkelijker onderdeel geworden van een Europees netwerk van leefgebieden. Waar wij landsgrenzen zien, zien wilde dieren vooral geschikte bossen, riviercorridors en verbindingen. Voor hen houdt de natuur niet op bij de grens.
Dat wordt zichtbaar in de manier waarop verschillende zoogdiersoorten ons land bereiken. De goudjakhals werd op 19 februari 2016 voor het eerst overtuigend in Nederland vastgelegd met een cameraval op de Veluwe. Sindsdien zijn verspreid over het land tientallen waarnemingen gedaan, onder meer in Groningen, Drenthe, Friesland, Gelderland, Utrecht en Noord-Brabant. Het gaat vrijwel steeds om zwervende dieren die soms honderden kilometers afleggen tijdens hun zoektocht naar een geschikt leefgebied. Van een gevestigde Nederlandse populatie van deze generalist is vooralsnog geen sprake. Nederland lijkt vooral deel uit te maken van het enorme zoekgebied van jonge goudjakhalzen die zich vanuit Zuidoost- en Midden-Europa over het continent verspreiden.
De wilde kat vertelt een ander verhaal. Deze soort kwam van nature in Nederland voor, maar verdween in de negentiende eeuw door genadeloze vervolging. Nadat de soort beschermd werd, begonnen de restpopulaties in de Eifel en de Ardennen weer te groeien. Vandaaruit kwamen vanaf ongeveer 2002 weer wilde katten voor in Zuid-Limburg. Al snel werd duidelijk dat deze terugkeer meer is dan een incidenteel bezoek. In Zuid-Limburg leven meerdere territoriale dieren en wordt al jaren voortplanting vastgesteld. Ook neemt de verspreiding in Zuid-Limburg langzaam toe. De wilde kat heeft zich daarmee opnieuw gevestigd als onderdeel van de Nederlandse fauna.
Dat verschil tussen beide soorten is veelzeggend. De goudjakhals bevindt zich nog in de fase van verkenning, de wilde kat heeft zich opnieuw gevestigd. De overeenkomst is dat beide ontwikkelingen onderdeel zijn van hetzelfde grotere verhaal: de Nederlandse natuur is verweven met de rest van Europa. Verspreidingsgebieden van dieren zijn geen statische kaarten, maar voortdurend veranderende patronen.
Eigenlijk zijn maar weinig soorten werkelijk nieuw. Vaker gaat het om soorten die terugkeren nadat zij verdwenen of om soorten die hun verspreidingsgebied op eigen kracht uitbreiden. De goudjakhals is geen door mensen uitgezette exoot, maar een Europese soort die zich zelfstandig uitbreidt. De wilde kat is zelfs een oorspronkelijke bewoner die terugkeert naar een deel van zijn historische leefgebied. Biodiversiteit is daarmee geen vaste soortenlijst, maar een voortdurend proces van verandering.
Dat proces wordt mede mogelijk gemaakt door natuurbeleid. Dankzij de bescherming die soorten sinds de Europese Habitatrichtlijn genieten, nam de vervolging van veel roofdieren en aaseters sterk af. Populaties konden herstellen, waardoor jonge dieren weer op zoek gaan naar geschikte leefgebieden en zo oude en nieuwe leefgebieden gingen koloniseren. De terugkeer van de wilde kat en de uitbreiding van de goudjakhals laten zien dat bescherming niet alleen soorten behoudt, maar ook dit natuurlijke proces weer de ruimte geeft.
Toch roept de komst van dergelijke soorten regelmatig discussie op. Opvallend daarbij is dat ecologische argumenten vaak worden vermengd met opvattingen over geschiedenis en identiteit. Regelmatig klinkt de stelling dat een soort “hier niet thuishoort”. Die uitspraak lijkt objectief, maar is dat zelden. Impliciet gaat de vraag of een dier ergens thuishoort vaak uit van een beeld van hoe de Nederlandse natuur eruit zou moeten zien. De discussies die dat oplevert vertrekken vanuit de gedachte dat onze natuur eigenlijk af is. Iedere verandering voelt dan als een verstoring van een gewenste eindtoestand. Maar ecologisch gezien bestaat zo’n eindpunt niet. Ecosystemen veranderen voortdurend. Soorten breiden zich uit, verdwijnen of keren na lange afwezigheid weer terug. Dat is niet de uitzondering, maar juist de regel.
Misschien speelt daarbij ook iets anders mee: ons ongemak over wilde buren. Zolang wilde dieren alleen voorkomen in natuurdocumentaires of tijdens vakanties, spreken ze gemakkelijk tot de verbeelding. Zodra dezelfde dieren dichter bij huis verschijnen, verandert onze blik. Dan ontstaan vragen over veiligheid, schade of overlast. Tegelijkertijd is verwondering een minstens zo menselijke reactie. Voor veel natuurliefhebbers vormt de terugkeer van soorten juist het bewijs dat natuurlijke processen nog altijd functioneren in een dichtbevolkt land. Ongemak en enthousiasme bestaan daarbij moeiteloos naast elkaar.
De goudjakhals laat bovendien zien hoe flexibel sommige soorten zijn. Anders dan vaak wordt gedacht, is hij geen kleine wolf, maar een opportunistische alleseter die leeft van kleine zoogdieren, vogels, insecten, vruchten en aas. Juist die flexibiliteit maakt het hem mogelijk uiteenlopende landschappen te benutten.
De wilde kat roept weer andere misverstanden op. Het is geen verwilderde huiskat, maar een aparte inheemse soort met een eigen evolutionaire geschiedenis. Onze huiskat is namelijk van origine een gedomesticeerde Afrikaanse wilde kat. Wel vormt hybridisatie met loslopende huiskatten een bedreiging voor genetisch zuivere populaties. Een grotere bedreiging is het gemotoriseerd verkeer, waarvan wilde katten vaak slachtoffer zijn.
De vraag waar een soort thuishoort blijkt uiteindelijk vaak meer over mensen te zeggen dan over dieren. Veel mensen beschouwen de natuur uit hun jeugd als de “oorspronkelijke” natuur. Wie opgroeide in de jaren vijftig kende geen bevers, kraanvogels, zeearenden, wolven of wilde katten in Nederland. Voor jongere generaties worden juist die soorten steeds vanzelfsprekender onderdelen van het landschap. Onze referentie verschuift ongemerkt met de tijd.
Wetenschappelijk gezien ligt de vraag anders. Wanneer een soort zich zelfstandig uitbreidt, geschikt leefgebied vindt en onderdeel wordt van bestaande ecosystemen, maakt zij deel uit van een natuurlijk proces. Dat betekent niet dat iedere vestiging zonder gevolgen blijft of dat beheer nooit nodig is. Wel betekent het dat de discussie zou moeten beginnen bij (ecologische) feiten en niet bij persoonlijke voorkeuren.
Misschien is dat wel de belangrijkste les die de goudjakhals en de wilde kat ons leren. De Nederlandse natuur is geen museumcollectie die we in één gewenste toestand kunnen bewaren. Zij is een levend systeem dat voortdurend verandert. De vraag is daarom misschien niet of de goudjakhals of de wilde kat in Nederland thuishoort. De interessantere vraag is of wij bereid zijn te accepteren dat natuur zich blijft ontwikkelen, ook wanneer die ontwikkeling niet past binnen het beeld dat wij zelf van ons landschap hebben gemaakt. Want uiteindelijk is niet de natuur statisch, maar vooral ons idee daarover.
De goudjakhals gebruikt gevarieerde landschappen met zowel dekking als open foerageerplekken, zoals rietvelden, moerassen, ruige graslanden, agrarische percelen en bosranden. Juist overgangszones tussen nat en droog of tussen open en gesloten terrein zijn aantrekkelijk, omdat daar zowel veel voedsel als dekking aanwezig is. De goudjakhals leeft vaak in vaste paren, kan in geschikte omstandigheden jaarlijks jongen krijgen. Die jongen die worden geboren in een goed beschutte rustplaats, bijvoorbeeld in dichte begroeiing of een verborgen hol. Beide ouders kunnen betrokken zijn bij de zorg voor het nageslacht. In Nederland zijn nog geen gevallen van voortplanting bekend.

Zijn dikke, geringde staart met stompe punt is een belangrijk kenmerk van de wilde kat. Het dier leeft in structuurrijke bossen en overgangszones met voldoende dekking, rust en prooidieren. Bosranden, jonge opslag, ruige overgangen en kleinschalige mozaïeken van bos en open terrein zijn belangrijk. In zulke gebieden kan hij jagen in open delen en tegelijk dekking vinden in dichte vegetatie. Het voedsel van de wilde kat bestaat vooral uit kleine zoogdieren, met name muizen. Daarnaast eet hij ook vogels, insecten en andere kleine prooien. In geschikte leefgebieden krijgt de wilde kat in het voorjaar jongen in een beschutte schuilplaats, bijvoorbeeld in een boomholte, dichte vegetatie of een andere verborgen plek. De jongen zijn in de eerste levensfase volledig afhankelijk van de moeder. Omdat rustplaatsen en veilige dekking zo belangrijk zijn, is verstoring in leefgebieden een risico voor succesvolle voortplanting.
