Rewilding heeft wettelijke wind mee

Rewilding wint aan populariteit. Volgens hoogleraar natuurbeschermingsrecht Arie Trouwborst is het wettelijke klimaat steeds gunstiger voor deze vorm van natuurherstel. En als we het recht echt serieus nemen, wordt de natuur een grote beestenboel.

Tekst: Arie Trouwborst, hoogleraar natuurbeschermingsrecht, Tilburg University | Beeld: Saxifraga-Jan Nijendijk

‘De gedachte achter rewilding is eigenlijk zeer logisch’, aldus Patrick Jansen in zijn recente oratie als hoogleraar dierecologie en natuurherstel. Wilde planten en dieren hebben zich ontwikkeld ‘in interactie met talloze andere soorten binnen voedselwebben in dynamische ecosystemen.’ Geen gekke gedachte dus om bij natuurherstel de natuur zelf een hoofdrol te geven en te streven naar ecosystemen die zo zelfstandig en compleet mogelijk zijn, dus waar natuurlijke processen weer meer ruimte krijgen. Overigens is daarbij, vooral in vroege stadia van herstel, vaak wel degelijk een helpende menselijke hand nodig. Denk aan het hervormen van het landschap, het verminderen van drukfactoren (zoals stikstof, verdroging, vervuiling) of het terugbrengen van ontbrekende sleutelsoorten. Pas daarna kan de boel grotendeels worden overgelaten aan de fratsen van Moedertje Natuur.

Maar wordt rewilding ook in de wet beschouwd als een logische gedachte? Dat is geen onbelangrijke vraag. Rewilding moet immers plaatsvinden binnen de kaders van internationale verdragen, Europese wetgeving en nationale regels. Dus hoe hangt de juridische vlag erbij?

Twee gezichten

Kort gezegd heeft die vlag twee kanten (zie ook 1. Trouwborst 2022). Enerzijds zijn er wettelijke regels die gunstige voorwaarden scheppen voor rewilding, het stimuleren of er zelfs toe verplichten. Anderzijds kan het recht hindernissen opwerpen in de vorm van ongunstige voorwaarden, beperkingen of verboden. De veterinaire regels die de (her)introductie van grote grazers bemoeilijken, vormen een notoir voorbeeld van dergelijke hindernissen.

Afhankelijk van de omstandigheden kan eenzelfde wet zowel positief als negatief uitpakken. Neem de regels rond beschermde gebieden uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn. De voorgenomen terugkeer van wisenten, de grootste overgebleven Europese landdieren, zou bijvoorbeeld kunnen vastlopen op artikel 6 lid 3 wanneer het beoogde gebied een Natura 2000-status heeft vanwege een kwetsbare plantensoort. Maar in een ander Natura 2000-gebied, waarin een habitattype te lijden heeft onder oprukkende Amerikaanse vogelkers of reuzenberenklauw, zou het inzetten van wisenten – die met deze exoten wel raad weten – juist een ideale manier kunnen zijn om te voldoen aan de verplichting tot het nemen van “de nodige instandhoudingsmaatregelen” (artikel 6 lid 1) of van “passende maatregelen” om habitatverslechtering te voorkomen (artikel 6 lid 2).

Frappant genoeg staat de wisent ook zelf op de Europese lijst van soorten waarvoor Natura 2000-gebieden moeten worden aangewezen. Hier te lande is dat nog niet gebeurd. Sterker nog, hoewel wisenten in feite her en der in Nederland – bijvoorbeeld op de Maashorst en in de Kennemerduinen – hun ecologische rol met verve hebben hernomen, is van officiële herintroductie nog steeds geen sprake.

Natuurherstelwet

In algemene zin bieden de regels van de Habitatrichtlijn over Natura 2000-gebieden overigens meer ruimte voor “procesnatuur” dan vaak gedacht (zie 2. Fleurke 2025). En wat soortenbescherming betreft bevestigde het EU-Hof van Justitie onlangs dat lidstaten niet klaar zijn wanneer de populatie van soort X levensvatbaar is, maar pas wanneer de soort zijn “ecologische functie” kan vervullen, “in volle omvang” maar liefst. Ook het juridische landschap als geheel lijkt zich te ontwikkelen ten gunste van rewilding.

Dat is mede te danken aan de nieuwe Natuurherstelwet (NHW) (3. Trouwborst 2025). Die richt zich expliciet op het herstel van “biodiverse en veerkrachtige ecosystemen”. Een ecosysteem wordt daarbij begrepen als een “dynamisch geheel van gemeenschappen van planten, dieren, schimmels en micro-organismen en hun niet-levende omgeving”. Habitattypen en soorten worden nadrukkelijk gezien als onderdelen van de robuuste, goed functionerende ecosystemen waar het uiteindelijk allemaal om draait. Ook veel van de concretere verplichtingen die de NHW de lidstaten oplegt, zijn koren op de rewilding-molen. Voorbeelden zijn het ontwikkelen van nieuwe natuur, ruimte geven aan rivieren en het zorgen voor bossen met meer dood hout en variatie.

Datzelfde geldt voor veel van de specifieke maatregelen die in de NHW worden aanbevolen om deze verplichtingen in de praktijk te brengen. Zoals het herstellen van oesterbanken en zeegrasvelden, hermeanderen van rivieren, ontpolderen en omvormen van gesloten bos naar halfopen mozaïeklandschap. En wat te denken van deze algemene maatregel die in de NHW wordt aangeprezen: “Ecosystemen in staat stellen hun eigen natuurlijke dynamiek te ontwikkelen… door de natuurlijke en wilde staat te bevorderen”. Een betere omschrijving van rewilding is nauwelijks denkbaar. De tijd zal leren welke rol rewilding daadwerkelijk zal krijgen bij de Nederlandse uitvoering van de NHW. Kansen genoeg, daar zal het niet aan liggen.

Biodiversiteitsverdrag

Het belangrijkste is volgens mij een bepaling uit het Biodiversiteitsverdrag. Artikel 8(f) verplicht de verdragspartijen, waaronder Nederland, om “voor zover mogelijk en passend … aangetaste ecosystemen te herstellen”. Vanwege de brede termen waarin de verplichting is geformuleerd, moet voor de interpretatie ervan onder andere gekeken worden naar relevant internationaal beleid en de stand van de wetenschap.

Wat het eerste betreft wordt algemeen erkend dat het tegengaan van de biodiversiteitscrisis – en dus grootschalig ecosysteemherstel – een zaak is van de hoogste prioriteit. De Leaders Pledge for Nature uit 2020, bijvoorbeeld, door minister-president Mark Rutte van een Nederlandse handtekening voorzien, spreekt van een planetaire noodtoestand. De verklaring onderstreept de noodzaak van ingrijpende, transformatieve verandering (We cannot simply carry on as before), inclusief ambitieus herstel van aangetaste ecosystemen. “Passender” kan bijna niet. En waar een wil is, is bovendien veel mogelijk.

Noemenswaardig is verder het door alle EU-lidstaten onderschreven voornemen uit de Europese Biodiversiteitsstrategie om minstens tien procent van land en zee als “strikt” beschermd aan te merken, waarbij “natuurlijke processen zo goed als onverstoord worden gelaten”. Het gaat hier om gebieden met een “zeer hoge biodiversiteitswaarde” of – rewilders opgelet – een “zeer groot biodiversiteitspotentieel”.

Thinking big

Om aangetaste ecosystemen te kunnen herstellen, en zo te voldoen aan artikel 8(f), is het bovendien van wezenlijk belang om te weten hoe onaangetaste ecosystemen er bij benadering uitzien. Dat zijn uiteraard niet de ecosystemen van de periode voor de grote ruilverkavelingen. Maar evenmin gaat het om de natuur zoals die was vlak voor de opkomst van de landbouw als zodanig. Ook dat levert een referentiekader op dat in essentie willekeurig is. Volgens huidige wetenschappelijke inzichten moeten we terug naar het late Pleistoceen, vóór de uitstervingsgolf van grote landzoogdieren. Als onze verre voorouders zich hadden ingehouden – en vervolgens ook de nabijere – dan zou Europa naar alle waarschijnlijkheid nog steeds bevolkt worden door olifanten, neushoorns, reuzenherten, holenberen, leeuwen, en tientallen andere grootheden (voor een vermoedelijk vrij volledige lijst, zie 4. Trouwborst & Svenning 2022).

Natuurlijk kan de ecologische klok niet simpelweg worden teruggedraaid naar de ecosystemen van weleer. Maar de kennis over toen schetst wel een betekenisvol model voor vandaag. We weten nu dat er in de regel een grote variatie en hoeveelheid aan grote beesten nodig is om met enige geloofwaardigheid te kunnen spreken van een hersteld Europees ecosysteem. Zeker nu rewilding de juridische wind steeds meer in de rug krijgt, lijkt het belangrijk om dat beeld op het netvlies te houden. Niet noodzakelijkerwijs om al over vijf jaar kraagberen op de Veluwe uit te zetten. Maar wel om te beseffen dat we niet per se klaar zijn met natuurherstel wanneer de grutto weer op het niveau van 1950 zit.

Literatuur:

  1. Trouwborst, A. 2022. Rewilding: juridische verplichtingen en hindernissen. In: K. Arts et al. (red.), Rewilding in Nederland. KNNV Uitgeverij: 165-178
  2. Fleurke, F. 2025. New approaches in nature conservation: the legal nexus between rewilding and nature conservation in the EU. In: J. van Zeben & C. Hilson (red.), A research agenda for environmental law. Edward Elgar: 247-260
  3. Trouwborst, A. 2025. Rewilding and the EU Nature Restoration Law. Journal for European Environmental and Planning Law 22(3): 364-384
  4. Trouwborst, A. & J.-C. Svenning. 2022. Megafauna restoration as a legal obligation. Review of European, Comparative & International Environmental Law 31(2): 182-198