Speuren naar wantsen

Behalve bedwantsen kent Nederland nog zo’n 700 andere wantsensoorten, met veelal fascinerende leefwijzen.

Met vlindernet, zaklamp en fototoestel trekt Pascal Losekoot er op uit, op zoek naar soorten die soms al sinds 1941 niet meer zijn waargenomen.

Tekst: Pascal Losekoot, KNNV Zeist, Heuvelrug en Kromme Rijn

Als ik op mijn knieën in het zand of met een vlindernet op onderzoek ben, vragen verwonderde voorbijgangers regelmatig wat ik aan het doen ben. Als ik dan vertel dat ik wantsen zoek, blijkt keer op keer dat de gemiddelde Nederlander alleen de bedwants en de vuurwants kent. Dat is best zonde, want in Nederland komen bijna 700 soorten voor. Wantsen zijn een ideale soortgroep in ons opwarmende klimaat: ze zijn warmteminnend. De afgelopen jaren zijn er heel wat Mediterrane soorten bijgekomen. De opkomst van de knoopkruidschildwants en de bonte dennenschildwants zijn daar een goed voorbeeld van. In de onlangs uitgekomen Veldgids Wantsen (Aukema, Heijerman, zie blz. 11) wordt beschreven dat er sinds het jaar 2000 in Nederland vijfendertig soorten zijn bijgekomen en zes soorten niet meer zijn waargenomen.

Wantsen hebben in tegenstelling tot kevers geen kaken maar een zuigsnuit waarmee ze voedingsstoffen opzuigen. Meestal plantensappen, maar er zijn ook soorten die zich voeden met dierlijke sappen. Ze hebben een onvolledige gedaanteverwisseling: na uit het ei te zijn gekropen, doorloopt de jonge wants, nimf genoemd, vijf stadia. Na het laatste stadium kruipt de volwassene uit z’n oude huidje om dan in de tijd van enkele uren uit te harden en uit te kleuren. Pas als volwassene kunnen wantsen vliegen – kortvleugelige exemplaren uitgezonderd.

Bosbeskielwants

Voor mij bieden wantsen, samen met kevers, een uitstekende uitdaging om in de eigen omgeving leuke, en soms nieuwe soorten te vinden. Zo vroeg ik me enkele jaren geleden af of de bosbeskielwants, vooral bekend van de Veluwe, ook in de bossen rond mijn woonplaats Soest zou kunnen voorkomen. Blauwe bosbes, in Nederland de belangrijkste waardplant, groeit er in grote hoeveelheden. De wants was, op een enkele waarneming in Veenendaal na, echter nog niet in de provincie Utrecht gevonden.

Na ongeveer een jaar bosbesstruiken afspeuren, had ik in mei 2021 beet. In de jaren die volgden vond ik populaties in de wijde omgeving, met als hoogtepunt zevenentwintig exemplaren op één plek op de Amerongse berg. Ik maakte inmiddels gebruik van een vlindernet om door de bosbesstruiken te slepen. De conclusie: de soort komt over de hele Utrechtse Heuvelrug voor – maar niet overal waar bosbes groeit.

De bosbeskielwants heeft een interessante levenswijze. Op zonnige dagen vanaf april vindt de paring plaats, vaak hoog in de plant. Dit is het beste moment om te zoeken. Vanaf mei leggen de wantsen de eitjes aan de onderkant van een bosbesblaadje. Het vrouwtje blijft op het legsel zitten om het te bewaken tegen sluipvliegen en andere predatoren. Deze vorm van broedzorg komt in Nederland alleen bij dit geslacht (Elasmucha) voor. De ei-pakketjes zijn te vinden door bosbesstruiken, waar eerder in het seizoen paringen zijn waargenomen, om te buigen.

Na ongeveer twee weken komen de eitjes uit. De nimfjes voeden zich eerst met het sap van het blaadje waar ze op zitten. Later, vanaf stadium drie, gaan ze aan de wandel en drinken ze van de bessen. De bewaking door het vrouwtje houdt dan op. Soms legt ze opnieuw eitjes. Pas na het uitkruipen van de volwassene, wat ik van dichtbij heb kunnen bewonderen, zijn de kenmerkende puntvormige schouders herkenbaar.

Waardplanten

Kennis van waardplanten is vaak belangrijk om bepaalde wantsensoorten te vinden. Door te slepen door een verzameling zandblauwtjes is de gele klokjeswants te vinden en ook mannetjesereprijs heeft een eigen wants: de mannetjesereprijsschildwants. De laatste waarneming van de hengelgraafwants in de provincie Utrecht stamde uit 2016. Door gericht te zoeken op groeiplaatsen met hengel trof ik in juni 2025 op zeven verschillende locaties in vier gemeentes in deze provincie exemplaren aan – met als hoogtepunt meer dan vijftig stuks op één plek.

Nabij een van deze locaties trof ik vorig jaar een nimf aan. Pas toen deze met zijn zuigsnuit een door mij aangeboden zaadje van hengel aanboorde, wist ik zeker dat het om de Hengelgraafwants ging. Ik heb de nimf met veel geduld verzorgd en uitgekweekt, iets wat normaal gesproken onder de grond gebeurt. Na tien dagen was het zover. Het proces van uitkleuren, van compleet wit naar bruin en uiteindelijk zwart, heb ik vermoedelijk voor de eerste keer in beeld gebracht.

Braakliggende biotoop

Ook braakliggende terreinen bieden goede mogelijkheden om wantsen te zoeken. De combinatie van rommeligheid, warme zandgrond en verscheidenheid aan waardplanten leidt ertoe dat binnen korte tijd interessante soorten een dergelijk perceel kunnen koloniseren. Door onder rozetten van planten en tussen bladmateriaal te zoeken, vond ik op dergelijke percelen in Soest, Amersfoort en Driebergen onder meer slanksprietrandwantsen, ossentonggraafwantsen en rood-zwarte sikkelwantsen.

Schorswantsen van het geslacht Aradus zijn aangepast aan het leven onder boomschors: ze zijn bijzonder plat. De tonderzwamschorswants komt in mijn omgeving ruimschoots voor; deze is makkelijker te vinden dan de dennen- of loofboomschorswants. In plaats van het lospeuteren van stukjes schors op dode beuken of berken, is het ook mogelijk mos dat rond de tonderzwammen groeit uit te kloppen in een bak. Een andere methode die ik onlangs voor het eerst probeerde, is ’s nachts met een zaklamp dit soort bomen inspecteren. Zowel de volwassenen als de nimfjes zaten in grote hoeveelheden buiten op de stam. Ook doodhoutkevers kunnen zo uitstekend worden gevonden.

Bosbeskielwants op eitjes

Zandzeggepantserwants

Een van de moeilijkst te vinden Pentatomoidea van Nederland is de zandzeggepantserwants. In 2025 heb ik deze in Bergen aan Zee en in Huizen (NH) aangetroffen. Het ging allebei om locaties waar de soort al was gevonden, alhoewel dat bij de Limitische Heide alweer zo’n acht jaar geleden was. Veel interessanter dan te “twitchen” vind ik om een soort te zoeken op een plek waar die nog niet gevonden is. Ondanks meerdere zoekpogingen en ondanks dat er volop zandzegge groeide, stamde de laatste waarneming van de zandzeggepantserwants in de provincie Utrecht uit 1941, door plaatsgenoot Rinke Tolman. Tot voor kort! Want na heel wat zoekwerk is het me op 8 april dit jaar gelukt de zandzeggepantserwants te vinden in de Lange Duinen in Soest.

Beelden van onder meer de ontwikkeling van de bosbeskielwants en de hengelgraafwants zijn te bekijken op de website van Pascal Losekoot: insectenzoeken.nl.