
Tekst: Baudewijn Odé
Natuurfotograaf en biologiedocent Tymo Muus bestudeert en fotografeert sinds twintig jaar motten, de traditionele benaming voor microvlinders. De weerslag daarvan is nu te vinden in het tweedelige Handboek motten, met meer dan vierduizend foto’s van alle soorten kleine vlinders in Nederland en België.
De handboekenserie van de KNNV Uitgeverij is echt wat anders dan de serie veldgidsen van dezelfde uitgever. Dat blijkt alleen al uit de omvang van de twee delen van het Handboek motten: in totaal 788 pagina’s. Maar ook uit de inhoud. Tymo Muus behandelt maar liefst alle – 1694 (!) – soorten kleine vlinders van Nederland en België. Met in deel één de oermotten en bladrollers en deel twee dominomotten en grasmotten. Telkens met een foto van de vlinder en soms ook van de rups of pop en met een beschrijving van de vlinder, de vliegtijd, de waardplant(en) en verspreiding in Nederland en België. Alle soorten hebben een Nederlandse naam gekregen, wat zeker helpt bij het leren kennen van de microvlinders.
De taxonomische onderverdeling van families en soorten wordt binnen de orde van de Lepidoptera, de vlinders, in Nederland in de praktijk niet gehanteerd. Zo is de indeling van dag- en nachtvlinders duidelijk praktisch ingegeven, omdat je overdag de ene groep ziet en in het donker de andere. Datzelfde geldt voor de indeling micro- en macro- (kleine en grote) vlinders. De wat meer onopvallende vlinders, met een voorvleugellengte van minder dan 10 mm, worden meestal kleine vlinders of motten genoemd. Van die soorten zijn ook franjeharen aan de achterrand van de vleugels redelijk kenmerkend. Maar er zijn altijd uitzonderingen, wat de complexiteit van de natuur mooi onderstreept.

In de vijftig pagina’s tellende inleidende hoofdstukken van de handboeken worden de motten in al hun variatie geïntroduceerd. Waar en hoe leggen ze hun eieren bijvoorbeeld veilig neer? Op plekken waar de rups meestal binnen twee weken uitkomt en eten moet kunnen vinden. Die rupsen leven vervolgens op heel verschillende manieren. Iedere soort heeft een eigen voorkeur: sommige soorten leven bijvoorbeeld in bladen, bloemknoppen, een zelf geproduceerd spinsel of kokertje of gewoon vrij. Veel soorten zijn nogal kieskeurig en leven van een specifiek soort vaatplant of soms mos of korstmos. Anderen verkiezen braakballen, strooisel, of in onze huizen op wollen sokken. Die grote variatie in de levenswijzen van rupsen komt erg goed naar voren.
Muus behandelt ook het zoeken en onderzoeken van motten. Hij maakt duidelijk dat dat met veel en deels nogal op elkaar lijkende kleine soorten niet altijd makkelijk is. Ten slotte gaat hij ook in op de bedreigingen waar de motten mee te maken hebben. Alhoewel er minder gegevens zijn dan van andere insecten, is duidelijk dat ook de afname van motten fors is. Naast de bekende bedreigingen van insecten (zoals gebruik van bestrijdingsmiddelen en habitatverlies) is de toenemende lichtvervuiling bij de motten een extra factor.
Ook onder motten komen exoten voor. Het bekendst is de buxusmot, maar ook andere in Nederland geïmporteerde planten hebben gasten meegenomen, zo blijkt alleen al uit de naam van olijfmineermot (op olijf), vijgenskelleteermot (op vijg), acaciawolkje (op Robinia), bananenboorder (op palmachtigen binnenshuis) en Amerikaanse ooglapmot (op Amerikaanse eik). Sommige inheemse motten die normaal gesproken leven van onze inheemse eiken blijken inmiddels ook voor te komen op Amerikaanse eik, zoals zilvermijnmot en gewone eikenvlekmot. Zo worden exotische planten die in Nederland vaak geen natuurlijke vijanden hebben, misschien op termijn onder de duim gehouden door onze inheemse motjes.

De handboeken hebben geen determineersleutel, maar Muus bespreekt de verschillende families (zoals langsprietmotten, dwergmineermotten, grasmotten en dergelijke) met hun afzonderlijke kenmerken. Dat helpt als beginner wellicht bij het bladeren door de foto’s van motten. Behulpzaam is ook de informatie over verspreiding en vliegtijd. Soms is aanvullende informatie te vinden op de website microvlinders.nl, een initiatief van Muus, in samenwerking met de Nederlandse Entomologische Vereniging en De Vlinderstichting.
Het maken van een goede foto (op een telefoon met een goede macrofunctie) en vervolgens identificeren met de app Obsidentify kan voor beginners een manier zijn om minstens in de buurt van de juiste soortnaam te komen.
Het boek geeft extra informatie bij op elkaar lijkende soorten die zonder nader onderzoek niet goed op naam kunnen worden gebracht. Meestal is het dan nodig om de genitaliën uit te prepareren. Bij deze kleine soorten vast een enorm priegelwerkje.
Sommige soorten zijn juist goed te herkennen als rups of eigenlijk vooral aan de hand van de plant waar ze op voorkomen en de vraatpatronen die ze daar laten zien. Vooral bladmineerders zijn vaak heel nauw verbonden aan één plantensoort. Ken je de plant, dan ken je ook de (rups van de) vlinder.
Al bij al is het (levens)werk van Tymo Muus een heel fijne bron van informatie voor het toenemend aantal mensen dat onderzoek doet naar insecten met lichtvallen of led-emmers.
Handboek motten: alle microvlinders van Nederland en België, Tymo Muus, KNNV Uitgeverij Zeist, 788 blz., € 99,95