‘We hebben iemand als Thijsse nodig’

Als geen ander weet Marga Coesèl te vertellen over de geschiedenis van de Nederlandse natuurbeweging. Met dank aan de vele boeken die ze schreef over prominenten als Jac. P. Thijsse, Eli Heimans en diens zoon Jacob Heimans. ‘Er is altijd natuur waar je blij van wordt.’

Tekst Michiel Bussink – Foto:  Henry Cannon

Als kind liep ze naar school via het Amsterdamse Oosterpark om daar kastanjes en eikels te rapen en paardenbloemen en madeliefjes te plukken. Marga Coesèl (1942) groeide op vlakbij de Amsterdamse hortus en Artis, waar 125 jaar geleden met de (K)NNV ook zo’n beetje de Nederlandse natuurbeweging ontstond. Na de hbs ging ze biologie studeren. ‘Mijn eerste bijvak na mijn kandidaats was Geschiedenis van de Biologie, dat werd gegeven in de Artisbibliotheek’, vertelt Coesèl. Ze werd direct gegrepen door dat vak en zou er een groot deel van haar leven aan wijden, tot op hoge leeftijd. Ze werkte als documentalist bij het Hugo de Vries Laboratorium, bij Natuurmonumenten en als vrijwilligster bij de Heimans en Thijsse Stichting.

Ze publiceerde inmiddels 13 boeken en talrijke artikelen over prominenten in de natuurwereld als Jac. P. Thijsse, Frederik Willem van Eeden en vader en zoon Heimans. Haar boek De Natuur als Bondgenoot (2007, met Joop Schaminée en Lodewijk van Duuren) is een standaardwerk over de geschiedenis van de Nederlandse natuurbeweging. Onlangs verscheen Verzinnen doen we niets, waarin ze natuurcolumns van ruim een eeuw geleden tot nu belicht. Naar eigen zeggen is dat haar laatste boek. Een mooie aanleiding om terug te blikken op haar werk en de geschiedenis van de KNNV, waar ze overigens zelf ook sinds lange tijd lid van is.

Tijdens haar studie kreeg Coesèl nog les van Jacob Heimans (1889-1978), hoogleraar plantkunde en zoon van de beroemde Eli Heimans (1861-1914). ‘Ik herinner me dat we op excursie naar Limburg gingen en ik helemaal gespitst was op het vinden van bijzondere wilde planten zoals eenbes en rapunzel. Op een gegeven moment zei professor Heimans: “Moet je die mooie hommel daar in de struiken zien.” Hij was plantkundige, maar net als zijn vader met een brede blik.’ Coesèl besloot jaren later Jacob Heimans’ leven te documenteren, in 1993 resulterend in het proefschrift Zinkviooltjes en zoetwaterwieren. Via die weg raakte ze geïnteresseerd in het werk van Eli Heimans en nog meer in dat van Thijsse. ‘Het waren heel goede populariseerders. Ze schreven persoonlijk en vanuit eigen ervaring over natuur, dat was nieuw.’

Stinkende krotten

Terwijl hun voorgangers vaak religieus en eerbiedig over natuur schreven, waren de stukken van

Heimans en Thijsse veel losser en speelser. Als onderwijzers namen ze hun leerlingen mee naar buiten. ‘Amsterdam industrialiseerde eind negentiende eeuw snel, met bijbehorende trek naar de stad en kinderen die in stinkende krotten woonden’, vertelt Coesèl. Alleen al daarom was het goed dat ze de jeugd mee naar buiten namen, de parken in en de stad uit. Ook in het door Heimans, Thijsse en collega-onderwijzer en natuurliefhebber Jasper Jaspers in 1896 opgerichte tijdschrift De Levende Natuur, draaide het om het plezier van natuuronderzoek. Ga naar buiten om “natuursport” te bedrijven was de oproep, die bij veel mensen aansloeg. Net zoals de educatieve natuurboekjes van Heimans en Thijsse en de beroemde Verkade-albums van Thijsse, die enorme oplagen bereikten.

Met de groeiende belangstelling voor natuur en natuurstudie ontstond begin twintigste eeuw ook de behoefte zich te verenigen. De biologieleraren Hendrik Heukels en Hein Willems Heinsius richtten daarom op 26 januari 1901 in Artis de Amsterdamse Natuurhistorische Vereeniging op. In diezelfde tijd volgden vergelijkbare organisaties in Gouda, Haarlem en Den Haag en nog in datzelfde jaar – op 27 december – verenigden die zich landelijk met de oprichting van de Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Ook weer in Artis en met Heimans en Thijsse als bestuursleden. Heimans had de verantwoordelijkheid voor het tijdschrift, dat aanvankelijk als bijlage bij De Levende Natuur verscheen onder de titel Maandblad der Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging. Vanaf 1906 kwam het zelfstandig uit onder de titel Natura.

Toen in 1904 Thijsse en Heimans zich verzetten tegen de voorgenomen stort van het Amsterdamse vuilnis in het door hen geliefde Naardermeer, kregen ze daarbij vooral steun van de NNV. Een kleine meerderheid van de gemeenteraad wees om economische en praktische redenen de aankoop van het Naardermeer af. Maar het gevaar was niet geweken en Thijsse bepleitte de aankoop van het gebied door de NNV, ‘de eenige, die den moed niet verloren heeft en een pittig adresje met een pootige memorie bij Amsterdam’s Raad heeft ingediend’, aldus Thijsse. De medebestuursleden van de NNV vonden dat een goed idee en besloten dat er ‘een lichaam’ moest komen met als eerste doel ‘het bijeenbrengen van een fonds, hoofdzakelijk dienende tot het aankoopen en in eigen beheer nemen van Natuurmonumenten’. Daartoe werden verschillende andere organisaties uitgenodigd, wat in 1905 leidde tot de oprichting van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland. Het startbudget van 100 gulden kwam van de NNV en na succesvolle fondswerving kon een jaar later het Naardermeer worden aangekocht.

Naïef

Wonderlijk genoeg werden onder andere Heinsius, Heukels, Thijsse en Jaspers bestuursleden van Natuurmonumenten, maar Eli Heimans niet, tot zijn eigen teleurstelling. Waarschijnlijk speelde antisemitisme daarbij een rol, volgens Marga Coesèl: ‘Jacob Heimans’ dochter Myrte vertelde me dat de sfeer toch was “geen Jood in het bestuur”.’ Volgens Frank Saris (die een biografie schreef over Natuurmonumenten-voorman Van Tienhoven) nam voor en in de Tweede Wereldoorlog het antisemitisme bij Natuurmonumenten ernstigere vormen aan, toen de Joodse sociaaldemocraat Henri Polak in het bestuur plaatsmaakte voor de NSB’er James de Hoey Smith, in de oorlog aangevuld met collega-nazi, de Wageningse hoogleraar Jacob Jeswiet. Deze episode wordt momenteel onderzocht door het NIOD (Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies), dus het laatste woord is daarover nog niet gezegd.

Thijsse zelf was zeker geen nazi-sympathisant, hooguit wat naïef en soms opportunistisch. ‘Het was een aardige man, dus ook vriendelijk tegen de Duitsers’, zegt Coesèl. ‘Dat hij een handje ging geven aan de NSB-burgemeester van Bloemendaal omdat Thijsses Hof subsidie kreeg van de gemeente, is niet goed te praten.’ Thijsse zette zich overigens ook in voor het lot van Jacob Heimans, die in de oorlog met zijn gezin moest onderduiken. Zelf heeft Thijsse het einde van de oorlog net niet gehaald, hij overleed in januari 1945 op 79-jarige leeftijd.

Blij

Terwijl Natuurmonumenten voor en na de oorlog enorm groeide, mede dankzij de aankoop van natuurgebieden, bleef de NNV, sinds 1952 Koninklijk, vooral een verzameling van groepen met lokale veldbiologen. ‘Er is daar ontzettend veel kennis, weet ik bijvoorbeeld van mijn zoon die bij de KNNV-Groningen zit’, vertelt Coesèl. ‘Het leuke van bijvoorbeeld de KNNV-Amsterdam vind ik dat ze heel veel weten van de natuur in de stad en de waardering daarvoor hebben aangewakkerd.’

In haar laatste boek Verzinnen doen we niets (een uitspraak van Eli Heimans) bespreekt Coesèl natuurcolumnisten van de afgelopen anderhalve eeuw. ‘Het verschil met huidige natuurcolumnisten, zoals Koos Dijksterhuis, Caspar Janssen en Jean-Pierre Geelen is dat die minder schrijven over specifieke planten en dieren en meer over processen en verlies van biodiversiteit.’ Inclusief regelmatig de nodige somberheid over de slechte toestand van de natuur. ‘Er zou een nieuwe Thijsse moeten opstaan’, vindt Coesèl. Dat Thijsse ‘De Freek Vonk van zijn tijd was’, zoals tv-programma Andere Tijden het omschreef, vindt ze ’totaal geen goede vergelijking.’ Ook Vonk is een populariseerder voor kinderen. ‘Maar verder houdt de gelijkenis op. Thijsse was een beschermer van inheemse natuur, daar heb ik bij Freek Vonk niks van gemerkt.’

Niemand geloofde dat Thijsse het zou lukken het Naardermeer te kopen, maar het lukte hem wel. ‘We hebben nu ook iemand nodig die gelooft dat dingen kunnen lukken.’ Gecombineerd met enthousiasme voor alles wat groeit en bloeit. ‘Hoe slecht het ook gaat met de natuur, er is altijd natuur waar je blij van wordt. Mensen moeten de kans krijgen dat te ontdekken.’