Wild Amsterdam

In de hoofdstad van ons land, waar 125 jaar geleden de (K)NNV ontstond, leeft een bonte verscheidenheid aan wilde planten, bomen, vogels, zoogdieren en andere organismen. De rijkdom van dat altijd veranderende stadslandschap is door de plaatselijke afdeling van de KNNV in woord en beeld gebracht in het boek Wild Amsterdam.

Tekst: Michiel Bussink

Op precies dezelfde dag van het jaar en precies dezelfde plek als waar 125 jaar geleden de biologieleraren Hendrik Heukels en Hein Willlems Heinsius de Amsterdamse Natuurhistorische Vereeniging oprichtten, werd het boek Wild Amsterdam ten doop gehouden: op 26 januari jongstleden in de Koningszaal van Artis. De Amsterdamse Natuurhistorische Vereeniging is de oudste algemene natuurvereniging van Nederland en stond met een aantal andere plaatselijke afdelingen later dat jaar aan de wieg van de Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, die ook in de Koningszaal werd opgericht.

De geschiedenis van de eerste honderd jaar van de afdeling Amsterdam van de vereniging staat uitvoerig beschreven in De Wilde Stad, 100 jaar natuur in Amsterdam, dat in 2001 verscheen. Vandaar dat in dit nieuwe boek de nadruk ligt op de ontwikkelingen in de natuur in en rond de hoofdstad van de afgelopen 25 jaar. Een heel scala aan rijk geïllustreerde onderwerpen passeert de revue, in een bonte reeks van korte en lange artikelen geschreven door uiteenlopende auteurs.

Biotopen in de stad

Het laat Amsterdam – van Schiphol tot IJburg – zien als bomenparadijs, vogelbolwerk en korstmossenhoofdstad. De lezer wordt meegenomen naar plaatsen vol paddenstoelen, naar libellen, groene nieuwkomers, nachtvlinders en braakballen. Vragen over schreeuwende parkieten worden door de auteurs beantwoord met kennis en humor en ze lopen in het Amsterdamse Bos niet weg voor echte slangen. Al deze soorten vinden hun plek in bijzondere biotopen: bergwanden van glas en beton, industriële savannes, kilometers rioolbuizen, grachten als rivieren, begraafplaatsen als oases. Verspreid door het boek staan interviews met allerlei Amsterdammers die iets hebben betekend of doen voor de natuur in de hoofdstad. Aangevuld met kortjes over karakteristieke en vermeldenswaardige soorten als de zeearend, de halsbandparkiet, bever en het veenbosbundelzwam.

Wild Amsterdam is gemaakt door Rob Biersma samen met leden van de KNNV-Amsterdam en bekende natuurvorsers, waaronder verschillende stadsecologen. Voor alle leden van KNNV-Amsterdam is er een exemplaar beschikbaar.

Hierna volgt een interview uit Wild Amsterdam met Fons Bongers en Lidy Zeinstra van de KNNV-Amsterdam, beide lid van de werkgroep Forensische Ecologie over ‘moord en doodslag in de vrije natuur’.

Wild Amsterdam, de natuur van de stad. R. Biersma, G. Timmermans, G. Muller, F. van der Heide, P. Wetzels, S. Leefsma & T. Woldendorp, 2026, Uitgeverij Noordboek, € 29,90

Eerste excursie

‘Op Donderdag den 16den Mei, werd de eerste proef genomen of ’t mogelijk is, met een zeer groot aantal deelnemers (80) een excursie te houden, die aan ’t gestelde doel beantwoordt.[…]

De excursie mag als volkomen geslaagd beschouwd worden, dank zij vooral de leidzaamheid der leden en het gunstige weder. Alles wat van zulk een uitstapje aan gezelligheid en leerzaamheid mag verwacht worden, werd inderdaad bereikt, zelfs ontbrak het traditioneele waterincident niet, dat bij elke welgeslaagde excursie behoort. Een jongedame viel van een plank in een sloot en sleepte in haar val niemand minder mee dan onzen president in eigen persoon. Natuurlijk waren de drenkelingen bij zooveel toeschouwers al uit het water, voor ze zelf wisten dat ze er ingevallen waren, en gelukkig was het Polderhuis dichtby, waar de noodige droge kleeren beschikbaar waren.[..]

Uit: ‘De Levende Natuur’ 1901 Verslag van de eerste excursie van de Natuurhistorische Vereeniging te Amsterdam, door Eli Heimans, 2e Secretaris.

‘We vonden eens een afgekloven havik’

Vrijwel alle dieren die kleiner zijn dan hij of zij zelf, staan op het menu van de havik. Dat weten de Amsterdammers van de werkgroep Forensische ecologie dankzij nauwgezet bestuderen van prooiresten op soms afgelegen plekken. ‘Hier is de laatste vijftig jaar geen mens geweest’.

Tekst: Rob Biersma – Foto: Marijn de Jonge

Havik eet kolgans

Fons Bongers, sinds kort voorzitter van de KNNV-Amsterdam, is in 2015 begonnen de broedplaatsen van de havik in kaart te brengen. Fons: ‘Ik kom van de NJN in Zevenaar en daar waren we gewend om door het terrein te struinen. Dat bleef ik doen in Amsterdam en zo ontdekte ik dat er hier ook haviken broeden. Maar niemand bracht dat in kaart. Dat was een mooie taak voor mij, vond ik.’

‘Eerst ben ik begonnen oude waarnemingen door te spitten. De eerste melding van een broedgeval was in 1986. De roofvogels begonnen zich een beetje te herstellen van de enorme klap die ze was toegebracht door DDT in de jaren zestig, ook de havik. Daarna ging het vrijwel ieder jaar een beetje beter. In 2015 waren er veertig bezette territoria in Groot-Amsterdam. Sommige territoria waren tijdelijk, andere waren nagenoeg altijd bezet. Bij die sterke territoria moet je denken aan het Amsterdamse Bos, het Twiske en Ilperveld, de Brettenzone, Spaarnwoude en Houtrak, de Botshol, de Diemer Vijfhoek en een bebost gedeelte van Amsterdam-West.’

‘Maar vanaf 2015 ging het aantal bezette territoria plotseling omlaag: de vogelgriep. We zitten nu op circa 20 territoria. Roofvogels zijn kwetsbaar voor besmettelijke ziekten. Ze pakken bij voorkeur verzwakte prooien – en dat zijn vaak zieke vogels. Ik krijg de indruk dat de ergste gevolgen van de vogelgriep nu voorbij zijn, misschien zit er weer een stijgende lijn in.’

‘Haviken broeden altijd in bomen. In Amsterdam is dat vooral de grauwe abeel. De abeel heeft vaak een vork met drie takken – een natuurlijk platform voor een stabiel nest. Andere geliefde bomen zijn de schietwilg, populier en zachte berk.’

‘Met Lidy Zeinstra en mijn zoon Pim maak ik foto’s van de nesten als er eieren of jongen in zitten, uiteraard geheel binnen de gedragscode van Sovon. Daarvoor hebben we een camera op een lange mast. Dat is af en toe wel een heel gedoe. Rond Amsterdam kan de grond erg drassig zijn. Er is een nest in het Amsterdamse Bos – ik zeg uiteraard niet waar precies – waar we alleen kunnen komen met een combinatie van kanoën, waden met lieslaarzen en klauteren door een haag van bramen. Er zijn nestplaatsen waarvan wij denken: hier is de laatste vijftig jaar geen mens geweest.’

‘Haviken hebben hier rond Amsterdam vrijwel geen natuurlijke vijanden. Tegenwoordig is de oehoe in Nederland in opkomst – dat is wel een geduchte predator, ook van de havik. En verder vallen haviken wel eens ten prooi aan een vos. Ik vond eens een afgekloven havik en vijftig meter verder prooiresten van een forse vogel. Ik stel me voor dat de havik die prooi had geslagen en opgegeten. Daarna was hij even op de grond blijven uitbuiken, misschien niet al te oplettend…’

‘Omgekeerd vormen vrijwel alle dieren die kleiner zijn dan hijzelf prooi voor de havik. Of liever gezegd: dan zijzelf, het vrouwtje is anderhalf keer zo zwaar als het mannetje. Rond Amsterdam zijn dat vooral tamme duiven en wilde eenden, inclusief de boereneenden. Samen zijn die de afgelopen tien jaar goed voor ruim veertig procent van het prooigewicht. Verder in afnemend belang: houtduif, zwarte kraai, ekster, meerkoet, kauw, konijn, wintertaling, krakeend, Turkse tortel, fazant, waterhoen, spreeuw, holenduif, kokmeeuw, watersnip, haas, halsbandparkiet, kievit, houtsnip en smient. Maar op het menu staan ook kerkuilen, ransuilen en bosuilen. We hebben zelfs prooiresten van vijf torenvalken, vier buizerds en twee sperwers gevonden.’

‘Dat haviken nesten leeghalen ligt voor de hand. Maar wat we niet verwacht hadden was dat we ook resten vonden van de jongen van de grote bonte specht. Die hebben echt een heel diep nest. Dat betekent dus dat de havik met zijn poot diep in het nest gegrepen moet hebben.’ 

‘Uniek voor Amsterdam is een havik die op futen jaagt. We vonden resten van elf futen. We weten dat haviken ook op prooien jagen die onder water zwemmen. Ze slaan die prooien onder water en verdrinken ze. Daarna “peddelen” ze met de vleugels naar de kant, net zoals visarenden weleens doen. Zoiets verwacht je niet van de havik.’

‘Haviken slaan vooral grote vogels, maar niet al te groot. We vonden resten van één grauwe gans en één bergeend. Geen zilvermeeuwen, wel twee kleine mantelmeeuwen. Prooiresten kleiner dan vinken vind je zelden bij het nest. Zanglijster, koperwiek en kramsvogel natuurlijk weer wel. In totaal slaan haviken zo’n zeventig soorten prooien in Amsterdam.’

‘De slechtvalk, de andere grote vogeljager van Amsterdam, heeft een nog bredere prooikeuze. Slechtvalken jagen alleen op vliegende prooien. Daaronder zitten vooral veel steltlopers, prooien die je bij de havik niet zo gauw zult aantreffen. Wat we sinds kort weten is dat slechtvalken ook ’s nachts jagen, althans in stedelijk gebied. Steden zijn een bron van licht. We weten dit omdat we bij slechtvalknesten ook prooiresten vinden van uitgesproken nachttrekkers zoals de kleine bonte specht. Bij haviken zie je zoiets toch niet.’

Fons Bongers heeft een grote verzameling veren en botten van prooidieren

Daders en slachtoffers

Werkgroep Forensische Ecologie van de KNNV-Amsterdam onderzoekt dierlijke restanten zoals braakballen en drolletjes, veren en botjes. Het vertelt iets over welke dieren waar leven en welke andere dieren ze hebben opgegeten. Wie zijn de daders, wie de slachtoffers en waar is het gebeurd? Dat vertelt iets over de biodiversiteit van het gebied en voedingspatronen van de daders. Op het “onderzoeksmenu” van de werkgroep staan vooral braakballen van uilen, met speciale aandacht voor muizenschedels en prooiresten van haviken, slechtvalken en zeearenden.