Wilde bomen en struiken

Onmisbaar groen erfgoed

Minder dan drie procent van de Nederlandse bomen en struiken is afkomstig van autochtoon plantmateriaal. Dat maakt ze extra kwetsbaar voor klimaatverandering. Maar het bewustzijn over het belang van wilde bomen komt op gang. Een mooie taak voor natuurliefhebbers: ze leren kennen en beschermen.

Tekst en foto’s: Lodewijk van Kemenade, bomenspecialist en eigenaar van bureau Wilde Bomen

Wilde bomen en struiken vormen een belangrijke basis voor de biodiversiteit in oude bossen, houtwallen, heggen, struwelen en dergelijke. De bomen en struiken staan niet op zichzelf, maar zijn het centrum van een uitgebreid ecologisch en voedselweb dat rondom die bomen en struiken is geëvolueerd. Dat is de oorspronkelijke biodiversiteit, het resultaat van minstens tienduizend jaar evolutie in Nederland en Vlaanderen. Vooral van na de laatste ijstijd, maar ook van daarvoor. Bomen en struiken worden al lang en veel aangeplant. Onderscheid kunnen maken tussen wild en niet-wild (aangeplant) is belangrijk om de oorspronkelijke biodiversiteit te kunnen behouden.

Gedurende duizenden jaren hebben populaties bomen en struiken zich ontwikkeld en aangepast aan lokale omstandigheden. Daarmee is een grote natuurlijke variatie ontstaan, veel groter dan te vangen is in beschrijvingen van bostypen. Wilde populaties (zie kader) zijn refugia – toevluchtsoorden – voor genenbronnen en ze dienen als referentie voor natuurlijke groeiplaatsen, vooral in intensief beheerde landen als Nederland. Oude groeiplaatsen vormen groen erfgoed. Door ze te behouden, blijven er plekken om de natuurlijke bossamenstelling te bestuderen. Ze zijn belangrijk voor de oogst van zaad- en stekmateriaal voor autochtoon plantgoed. Oude boskernen (ancient woodlands) zijn onvervangbaar voor het behoud van biodiversiteit.

Verschillen tussen ‘autochtoon’, ‘wild’ en ‘inheems’

De termen autochtoon en wild worden in dit artikel als synoniemen gebruikt. Autochtoon is de wetenschappelijke term, wild is een populaire term. In de literatuur wordt ook de term oorspronkelijk inheems gebruikt. De meeste inheemse boom- en struiksoorten in Nederland hebben een groot natuurlijk verspreidingsgebied in Europa. Binnen dat gebied kunnen bij dezelfde soorten grote regionale genetische verschillen bestaan. Bij inheemse soorten wordt daarom onderscheid gemaakt tussen autochtone of wilde en niet-autochtone bomen en struiken. Een autochtone boom is op soortniveau inheems en als individu autochtoon op een specifieke groeiplaats. Een dergelijke boom hoort bij een populatie die zich hier sinds de laatste ijstijd spontaan heeft gevestigd. Weliswaar kan de mens daar ook een rol in hebben gespeeld, maar het plantgoed moet dan te allen tijde te herleiden zijn tot autochtone populaties. Traditionele bosbouw- en landbouwmethoden zoals hakhout- en knotbeheer hebben bijgedragen aan het behoud van wilde bomen en struiken. Er is hierbij een interessante koppeling tussen cultuurhistorie en behoud van wilde genen ontstaan.

Niet-autochtone inheemse bomen hebben een andere, vaak onbekende herkomst en zijn buiten hun oorsprongsgebied aangeplant of verwilderd. Een boom of struik kan dus inheems voorkomen in Nederland, maar toch een niet-autochtone herkomst hebben. De term inheems slaat niet op een specifieke plant of op een lokale ondersoort, maar op de hele soort, inclusief de ondersoorten. Een soort is in het hele verspreidingsgebied inheems. De omschrijvingen wilde of autochtone bomen en struiken beperken zich tot een specifiek verspreidingsgebied waar een bepaalde genetische variatie van nature is ontstaan en zijn daarmee nauwkeuriger.

Geknotte wintereik op de Grebbeberg

Genetische variatie

Genetische variatie binnen een natuurlijke populatie maakt het bos en het landschap beter weerbaar en zorgt voor meer veerkracht bij veranderingen in klimaat en milieu. Wilde populaties zijn al vele duizenden jaren aangepast aan de veranderingen in het klimaat van de Lage Landen, zoals late nachtvorst. Een wilde populatie bomen of struiken heeft doorgaans een veel grotere genetische bandbreedte dan aangeplante populaties. Een deel van de populatie kan beter zijn aangepast en daardoor onder nieuwe omstandigheden overleven. Daarvoor moet een populatie wel groot genoeg zijn: in een natuurlijke populatie is elk individu een beetje verschillend. Een grote genetische variatie, die is aangepast aan lokale omstandigheden, is dus een belangrijke waarde van de populaties wilde bomen en struiken. Maar die variatie staat onder druk omdat van sommige soorten alleen nog relictpopulaties over zijn. Over een groot gebied verspreid zijn dan nog slechts kleine aantallen aanwezig van een populatie die veel groter geweest is.

De genetische variatie van aangeplante bomen en struiken, zelfs van autochtoon plantgoed, is minder groot dan bij natuurlijke selectie. Gangbare bomen en struiken in de handel zijn namelijk geselecteerd op eigenschappen die voor de mens waardevol zijn, zoals een rechte stam, snelle groei, grotere vruchten, mooiere bloemen of sierbladeren. Bij deze selectie is een groot deel van de natuurlijke variatie, en dus het aanpassingsvermogen, verloren gegaan en worden de genen van maar een beperkt aantal voorouders doorgegeven. Het grootste deel van de bomen en struiken in bos en landschap is als plantsoen opgekweekt uit zaad uit Zuid-Europa, waar het goedkoop geoogst kan worden.

Bescherming

Van het totale areaal bomen en struiken in Nederland bestaat naar schatting minder dan drie procent uit oude groeiplaatsen met een substantieel aandeel van autochtone bomen en struiken. Ook op oude groeiplaatsen (oude boskernen en landschapselementen van voor 1850) is slechts een deel van het oppervlak begroeid met wilde bomen en struiken. Aangeplante bomen van elders, houtteeltsoorten, invasieve exoten en door wind en vogels verspreide soorten uit tuinen en parken hebben ook hier vaak de overhand en brengen de overgebleven wilde bomen en struiken in de verdrukking.

Het aantal en de kwaliteit van oude groeiplaatsen neemt steeds verder af, omdat beheer weinig gericht is op behoud van groen erfgoed. Zeldzame wilde bomen en struiken kwijnen weg door beschaduwing door invasieve soorten of houtteeltsoorten. Ze overleven alleen in de randen van het bos en zijn ook daar kwetsbaar, bijvoorbeeld wanneer nieuw bos te dicht bij de bosrand wordt aangeplant en het lichte milieu daardoor verdwijnt. Oude landschapselementen hebben meestal geen beschermingsstatus als groen erfgoed en verdwijnen nog steeds vanwege schaalvergroting in de landbouw, stadsuitbreiding en aanleg van infrastructuur. Erfgoed dat verdwenen is, komt niet meer terug. Het proces van uitsterven van wilde populaties op authentieke groeiplaatsen is in volle gang. Van verjonging is, mede door te veel wildschade – zoals vraat door reeën, vaak geen sprake. Van de ongeveer honderd inheemse houtige soorten met wilde populaties is op hun authentieke groeiplaatsen bijna de helft zeldzaam en kwetsbaar geworden. Ze hebben dringend bescherming en goed beheer nodig.

Oude stoof beukenhakhout op landgoed Hulshorst

Zelf wilde bomen herkennen

Het met behulp van morfologische kenmerken determineren en op naam brengen (taxonomische studie) van wilde bomen en struiken, is een jong vakgebied. Dat biedt KNNV’ers een mooie kans om zelf veldonderzoek te doen. Om wilde of autochtone bomen en struiken en het onderscheid met geïmporteerd plantmateriaal te leren herkennen is de KNNV Veldgids Wilde bomen van Nederland en Vlaanderen (van Kemenade & Maes, 2025) verschenen. Bureau Wilde Bomen en Ecologisch Adviesbureau Maes hebben in opdracht van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed provinciale ‘Attentielijsten bedreigde wilde bomen en struiken’ opgesteld. Door die te combineren met al bekende verspreidingsgegevens kan een beheerder of vrijwilliger zien welke soorten in zijn of haar (beheer)gebied bedreigd zijn en maatregelen nemen ter bescherming. Zie de kaart Landschappelijk Groen Erfgoed op de website cultureelerfgoed.nl, de website Wildebomen.nl en de Atlas wilde bomen en struiken (Maes, 2024).