Wandeltip – Kiersche Wijde – 5 km

Kaart Kiersche Wijde

De route gaat in een grote boog om eendenkooi de Kiersche Wijde. Van de kooi zelf is niets te zien en hij is ook niet voor publiek toegankelijk. Af en toe organiseert de eigenaar, Natuurmonumenten, een publieksexcursie naar de kooi. Voor meer informatie over de eendenkooi zie: www.varenindekopvanoverijssel.nl/nieuws/eenden-terug-in-de-eendenkooi
Voor meer informatie over het Kiersche Wijdepad zie:
www.natuurmonumenten.nl/kiersche-wijde 

Startpunt:
Neem de N334 vanaf Steenwijk richting Giethoorn/Zwartsluis. Na het passeren van het bord “einde Giethoorn” nog 1,5 km rechtdoor richting Zwartsluis en dan linksaf, richting Wanneperveen. Na 2 km rechtsaf, Veldweg. Aan het einde rechtsaf, Lozedijk. Na 400 m is er rechts een parkeerplaats. Dit is ons startpunt.

Routebeschrijving:
a. Steek vanaf de parkeerplaats de vaart over via de houten brug. In de vaart groeien waterlelie en gele plomp (1). Kruis de weg en ga na de hoge voetbrug meteen rechtsaf. In de vaart, dicht langs de kant, groeit kalmoes (2). We passeren een klaphekje en gaan een moerasbosje in met veel zwarte elzen. Let in de zomer op de “sigaartjes” die aan de bladeren hangen (3). In het bos groeit veel kruipend zenegroen (bloeitijd: april-juni).

b. Na het bos gaan we over een hoge voetbrug met mooi uitzicht op het landschap van de Kiersche Wijde. Op het water zijn bijna altijd wel vogels te zien: meerkoeten, futen, knobbelzwanen, canadese ganzen, kuifeenden en tafeleenden. In de winter smienten en soms ook nonnetjes.

c. We volgen de gele route door het grasland en komen uit bij een klaphek. Tien meter na het hek passeren we een bruggetje met veerooster. In en om de sloot groeien veel planten: bitterzoet, valeriaan, gele waterkers, watermunt, kikkerbeet, pluimzegge, blauw glidkruid, enz. Na het passeren van nog twee bruggetjes gaan we linksaf naar een kijkscherm met opnieuw uitzicht op de Kiersche Wijde. Langs het pad naar het scherm groeit hop hoog de bomen in. Alleen in de vrouwelijke planten zitten in de zomer hopbellen.

d. We lopen terug en laten de twee bruggetjes nu rechts liggen en steken een derde bruggetje over. Het pad voert nu weer door graslanden. Waar het pad naar links draait zien we een enorme meidoorn voor ons. Even later lopen we langs een plas links van ons. In de plas groeit veel waterviolier (bloeitijd: mei-juni). In de graslanden rechts lopen vaak reeën. Al gauw na het passeren van de plas lopen we weer door een grasland. Honderd meter verder maakt het pad een draai naar links. In het grasland links van de bocht groeit veel moeraskartelblad (4).

e. We passeren een wat grotere voetbrug met rechts daarvan een petgat met veel waterplanten. Enkele honderden meters verder bereiken we een vlonder dat ons door een moerasbos met zwarte elzen voert. Hier groeien groot springzaad (bloeitijd: juni-september) en gele lis (bloeitijd: mei-juli).

f. Na het moerasbos lopen we door een grasland met pinksterbloemen en kruipende boterbloem. In de sloot rechts zien we waterlelie, gele plomp, waterscheerling, krabbescheer en grote boterbloem. Op de weg gaan we rechtsaf. Naar links zien we het kooibos (niet toegankelijk). In mei en juni zijn de wegbermen wit van het fluitenkruid. Aan het einde op de verharde weg linksaf.

– We hebben nu twee mogelijkheden:
1. We blijven de gele route volgen en gaan na enkele meters rechtsaf en lopen dan om een plas heen. We passeren een kijkscherm. Deze plas is geen petgat, maar een zandgat. Het zand is gebruikt voor het ophogen van de plaatselijke wegen. Het water is tot 16 meter diep en blijft daardoor ‘s winters lang open. Dit is dan aantrekkelijk voor veel watervogels. Nadat we voor driekwart om het water zijn gelopen, steken we de weg over en gaan bij routepaaltje C52 rechtdoor een bruggetje over.
2. We blijven op de weg. Op 300 m na de bocht gaan we bij routepaaltje C52 linksaf en lopen over een bruggetje. Deze mogelijkheid is iets korter dan keuzemogelijkheid 1.

g. Op veel plaatsen groeit hier moeraskartelblad. Even verderop zien we in mei en juni de roze aren van rietorchissen. We blijven de gele route volgen, passeren een bankje en even later tweemaal een overstapje. Bij het tweede overstapje staat een dikke oude schietwilg met mooie begroeiing van korstmossen. In de sloten kun je in de zomer groot blaasjeskruid (5) aantreffen. Na nog enkele honderden meters zijn we weer op de parkeerplaats.
1. Witte waterlelie en gele plomp
Als deze planten in bloei staan, zal het voor niemand moeilijk zijn ze van elkaar te onderscheiden. Staan ze nog niet in bloei of niet meer, dan wordt het onderscheid wat lastiger, maar ook dan is er een duidelijk verschil. Het blad van de waterlelie is rond, dat van de gele plomp ovaal.
2. Kalmoes (bloeitijd: juni-juli)
Deze plant is in de 16e eeuw ingevoerd in Europa vanuit Oost-Azië. In Nederland komt hij nu algemeen voor als oeverplant langs sloten en plassen. Het blad is zwaardvormig en lijkt veel op dat van de gele lis, maar is daar toch gemakkelijk van te onderscheiden door een golfpatroon in een deel van het blad. De bloeistengel lijkt veel op een gewoon blad waaruit halverwege de gele bloeikolf ontspringt. In Europa vermeerdert kalmoes zich uitsluitend vegetatief door wortelstokken of delen daarvan. Bepaalde stoffen uit deze de plant dragen bij aan het aroma van Deventer koek en berenburg.
3. De zwarte els en zijn bewoners
In de winter is de zwarte els gemakkelijk te herkennen aan de donkere stam en de elzenproppen, de vrouwelijke katjes van de boom. Tussen de zwarte schubben zitten zaadjes. Vooral in de winter komen groepen sijzen en putters op deze zaden af. De sijzen vallen op door hun gekwetter en hun acrobatische toeren, de putters door hun mooie kleuren. Nog een goed herkenningspunt van de zwarte els zijn de paarse knoppen die elk op een steeltje staan. Vroeg in het voorjaar verschijnen de langgerekte mannelijke katjes die geel gekleurd zijn vanwege het stuifmeel dat ze bevatten. Deze katjes vallen al snel af terwijl de vrouwelijke katjes, die eerst nog groen zijn, beginnen op te zwellen.
Aan zwarte elzen is altijd wel iets te beleven. In de zomer zien we vaak kleine “sigaartjes” aan de bladeren hangen. Met wat geluk en geduld kun je eerder in het seizoen zien hoe ze ontstaan. De sigaartjes zijn het werk van een klein zwart kevertje van maar enkele millimeters lang. Het is een bladroller of sigarenmaker. Daar zijn meerdere soorten van die elk een voorkeur hebben voor bepaalde boomsoorten. Zo heb je de eikenbladroller en de berkenbladroller. Vermoedelijk hebben we hier te maken met de berkenbladroller die ook genoegen neemt met de els. Het kevertje gaat als volgt te werk. Zij knipt het blad in vanaf de buitenkant tot aan de middennerf in een s-vormige lijn. Daarna doet zij hetzelfde bij de andere bladhelft. Vervolgens rolt zij de beide onderste delen van de bladhelften om elkaar heen in de vorm van een taps toelopend sigaartje. Tenslotte worden er enkele eitjes in het sigaartje gelegd. De larven die daaruit komen gebruiken het bladmoes van het sigaartje als voedsel, meer dan genoeg voor een vijftal larven.
In de zomer zie je vaak blauw metaalachtig glanzende kevers op het blad van de els. Ze zijn iets groter dan de bladrollers, ongeveer 7 mm lang. Dat zijn elzenhaantjes. Je ziet ook vaak hun larven, zwarte worstvormige beestjes, eveneens ongeveer een centimeter lang. Zowel de haantjes als hun larven leven van het bladmoes. Vandaar al die gaten in het blad. Last heeft de boom daar niet van. Het zou zelfs een voordeel kunnen zijn in droge tijden, omdat de verdamping vanuit de bladeren hierdoor verminderd wordt.
4. Moeraskartelblad
De bloeitijd van deze plant is van mei tot juli. De bloeistengels worden enkele decimeters hoog en vallen goed op in het lagere gras. De hele plant maakt een rode indruk. Niet alleen de bloemen zijn rood, maar ook het blad is vaak rood aangelopen. De bloemen worden bestoven door aardhommels. Omdat de bloemen een lange kroonbuis bezitten, vinden de aardhommels het vaak gemakkelijker om hierin een gaatje te maken. Op die manier kunnen ze beter bij de nectar komen, maar bestuiving vindt zo niet plaats.
Moeraskartelblad is een plant die parasiteert op grassen. Het gras verzwakt hierdoor zozeer dat er op den duur weinig voedsel meer aan onttrokken kan worden. Het moeraskartelblad verdwijnt dan naar naastgelegen plekken totdat het gras zich op de eerste plek hersteld heeft. Daarom lijkt het alsof moeraskartelblad als het ware pleksgewijs door het landschap “wandelt”.
5. Groot blaasjeskruid
In de sloten kunnen we van juni tot september het groot blaasjeskruid in bloei zien staan met kleine dooiergele bloemen die boven het water uitsteken. Het is een vleesetende plant die zweeft in het water. Het blad is fijn vertakt in smalle bladslippen. In de bladoksels kunnen we kleine bolletjes waarnemen. Dit zijn blaasjes die met niets gevuld zijn of met andere woorden: de inhoud bestaat uit een vacuüm. Een blaasje wordt afgesloten door een klep die omringt wordt door fijne haren. Zodra bijvoorbeeld een watervlo die haren aanraakt, schiet de klep open en vult het blaasje zich met water. De watervlo wordt met de waterstroom mee naar binnen gevoerd. Het gevangen dier wordt daar binnen twee uren verteerd en door de plant opgenomen als voedsel. Met wat geluk kun je met een loupe zo’n gevangen diertje van buitenaf in een doorzichtig blaasje zien zitten.

Wandeltip + foto’s Theo van de Graaf